Dominiek Lootens

Home » 2016 » juni

Monthly Archives: juni 2016

Grote Moskee Brussel, of hoe de N-VA steeds meer op de PS begint te gelijken

VBJ020412_9

Vlaams Belang waarschuwt al jaren voor de rol van de Grote Moskee in de radicalisering van moslims in dit land

De Grote Moskee in Brussel of het ICC (Islamitisch Cultureel Centrum) en zijn tentakels, zoals de Moslim Wereld Liga, spelen een belangrijke rol in de groei en verspreiding van de orthodoxe islam in Brussel en daarbuiten. Ze injecteren verwerpelijke islamitische ideeën in onze samenleving. Middels de buitenlandse financiering en connecties, de moskee, de imams, de leerkrachten Arabisch en islam, het eraan gelieerde Europees instituut voor Theologie en de Al Ghazali-school, het begeleiden van vele bekeringen, het verspreiden van Korans en shariaboeken, het afsluiten van religieuze huwelijken enzovoort, zijn de Grote Moskee en zijn islamitische organen invloedrijke islamiseringsvehikels. Het Vlaams Belang zegt dat al decennia, maar werd steevast genegeerd of weggelachen.

Maar nadat het Vlaams Belang jaren geleden reeds als eerste aan de alarmbel trok, beginnen nu ook de andere Vlaamse én Franstalige partijen in te zien dat er één en ander loos is met de Grote Moskee in Brussel. De door de Saoedi’s betaalde en gecontroleerde moskee is gekend als broeihaard van moslimextremisme, op een boogscheut van het politieke hart van Europa.

Zelfs socialisten als Yamila Idrissi beginnen nu eindelijk – doch rijkelijk laat – te erkennen dat de Grote Moskee een nefaste rol speelt in het islamextremisme in dit land. http://www.demorgen.be/binnenland/-grote-moskee-brussel-is-broeihaard-van-extremistische-islam-ba0e579c/

En op de website van NVA’er Peter De Roover lezen we: “De uitlatingen van de Brusselse minister-president Vervoort over de radicale vanuit Saudi-Arabië geïnspireerde islam en de Grote Moskee wijzen op een voortschrijdend inzicht dat wij alleen maar kunnen toejuichenhttp://www.peterderoover.be/in-de-pers/peter-de-roover-vervoorts-%E2%80%98chez-nous-c%E2%80%99est-fini%E2%80%99-vast-n-va-visie-mooi-sam

Helaas is het bij de N-VA echter zoals steeds een verhaal van veel blabla, maar geen daden. Want is het niet aan de federale regering, en dus ook aan de minister van Binnenlandse Zaken, om op te treden tegen dit haatpaleis in Brussel? En is die minister niet De Roovers partijgenoot Jan Jambon?

Maar wat wist Jambon gisteren (26 juni) te vertellen op RTL : “Op dit moment stelt zich geen groot probleem van radicalisering in de Grote Moskee in het Jubelpark in Brussel” http://www.rtl.be/info/belgique/politique/jan-jambon-devoile-ses-informations-sur-les-mosquees-il-n-y-a-pas-de-grand-probleme-de-radicalisation-video–829955.aspx

Kortom: met deze N-VA wordt het probleem van het islamfundamentalisme aangepakt door de grote mond van De Roover, in plaats van door de Staatsveiligheid en de politiediensten van Jambon. En zo wordt het verschil tussen de N-VA en de PS dag na dag kleiner.

Advertenties

De taalwetnota die niet besproken mocht worden…

wegomDat de taalwet in Brussel niet meer is dan een vodje papier, dat is niet nieuw. Een tijdje geleden diende ik daarom in de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie een discussienota in over deze problematiek.

Helaas, zowat alle andere Vlaamse (nou ja..) partijen weigerden nog maar de bespreking er van. Schrik voor de waarheid te moeten aanhoren?

Want ja, de waarheid moet wel pijnlijk zijn voor de partijen die hier al zo lang aan de macht zijn. Oordeelt U zelf maar! Ik zet hier voor u graag de volledige tekst van de nota online.

 

DISCUSSIENOTA

Na 50 jaar : eindelijk naar een correcte toepassing van de taalwetgeving in Brussel ?

Ingediend door de heer Dominiek Lootens – Fractievoorzitter VLAAMS BELANG

 

  1. Een korte historische inleiding

Eén van de eerste maatregelen die de jonge Belgische staat nam, was de afschaffing van het Nederlands als bestuurstaal (16 november 1830). De openbare eentaligheid van het land leidde tot een sterke taaldruk en tweespalt in Brussel. De stad was dan wel grotendeels Nederlandstalig,  het onderwijs, het bestuur, het culturele leven werd  Franstalig.

De Brusselse gemeenten kenden in 1866 een Franstalige minderheid van ongeveer een vijfde van de bevolking[1]. De Franse auteur Baudelaire verklaarde in datzelfde jaar over Brussel en de Brusselaars trouwens: “In Brussel kent men geen Frans, niemand kan het, maar ze doen alsof ze geen Vlaams kennen: dat getuigt van goede smaak. Het bewijs dat ze het wel degelijk kennen, is dat ze hun dienstpersoneel in het Vlaams afblaffen.”[2]

 

Het Nederlands was dus nog steeds de moedertaal van de meerderheid van de Brusselaars, maar het onderwijssysteem was volledig Franstalig. Tegen 1914, bij de invoering van leerplicht, was er geen enkele Vlaamse klas meer over in Brussel-stad.[3] In de 13 gemeenten van de agglomeratie waren er in 1916 vier keer meer Franse dan Vlaamse klassen, hoewel de Franstaligen nog geen derde van de bevolking uitmaakten.[4]

 

In de late 19e eeuw won – door de groeiende ontevredenheid over het constante achteruit stellen van het Nederlands – de Vlaamse Beweging verder aan kracht.  De Vlaamse Beweging ijverde aanvankelijk voor de evenwaardigheid van beide landstalen en de erkenning van het Nederlands in Vlaanderen; maar deze idee werd door de Franstaligen verworpen: zij eisten een op het territorialiteitsbeginsel steunend eentalig Frans Wallonië, maar wel een op het personaliteitsprincipe steunend tweetalig Vlaanderen; en een zo groot mogelijke taalvrijheid in Brusselse agglomeratie, en dus het vrijwaren van de feitelijke (bestuurlijke) hegemonie van het Frans in de stad.[5]  De Franstaligen vreesden voornamelijk om bij een algemene tweetaligheid van het centrale bestuur Nederlands te moeten leren om banen bij de overheid te kunnen krijgen. Nil novi sub sole !

 

Pas na de Franse nederlaag in de Frans-Pruisische Oorlog in 1870 — die een gevoelige slag had gegeven aan het Franse prestige — werden de eerste wetten ter bescherming van het Nederlands aangenomen. Maar de Brusselse gemeenten werden uitgesloten van de vernederlandsing van het lokale bestuur. In 1873 werd de wet-Coremans (de eerste taalwet) goedgekeurd, die aan Nederlandstaligen onder meer het recht gaf in het Nederlands terecht te staan. Deze strafwet betrof enkel de Vlaamse provincies Limburg, Antwerpen, West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen en het arrondissement Leuven, en dus niét het arrondissement Brussel. De wet-De Laet (de tweede taalwet) uit 1878 stelde dat in de Vlaamse provincies en het arrondissement Leuven alle communicatie met het publiek in het Nederlands moest plaatsvinden, ook al bleef het Frans toegelaten als de particulier daarom vroeg (een soort van taalfaciliteiten zeg maar). Maar ook deze wet gold niet voor Brussel en de eerste acht randgemeenten.

 

Het flamingantisme, dat door de wantoestanden in onder meer het Belgische leger tijdens WO I een enorme boost had gekregen, begon na diezelfde Wereldoorlog  te ijveren voor de eentaligheid van Vlaanderen – net zoals Wallonië eentalig was – en tweetaligheid van de centrale administratie en van alle besturen in de Brusselse agglomeratie. In de jaren 1920 werd door het overwegend christendemocratische noorden en het socialistische zuiden een compromis bereikt dat neerkwam op een eerste officiële bevestiging van het territorialiteitsbeginsel, en bijgevolg van het bestaan van een taalgrens. België werd opgedeeld in drie taalgebieden: een eentalig Nederlands gebied in het noorden (Vlaanderen), een eentalig Frans gebied in het zuiden (Wallonië) en een tweetalig deel (Brussel), waar de meerderheid van de bevolking nog steeds Nederlandstalig was. Die officiële tweetaligheid van Brussel was echter zeer relatief. De gemeenten in de Brusselse agglomeratie mochten zelf hun interne bestuurstaal vrij kiezen.  Het hoeft weinig betoog dat op één gemeente na (Sint-Stevens Woluwe, dat voor korte tijd tot het grondgebied van Brussel behoorde) iedere Brusselse gemeente voor het Frans koos.

 

In 1900 oversteeg in Brussel-stad het percentage eentalig Franstaligen door de aangroei van het aandeel tweetaligen voor het eerst het percentage eentalige Nederlandstaligen.[6] Tussen 1880 en 1890 steeg het aantal tweetaligen in Brussel van 30 naar 50 procent — grotendeels als gevolg van de “transmutatieklassen” — en daalde dat van de mensen die enkel Nederlands spraken van 36 procent in 1880 tot 16 procent in 1910,[7] terwijl het aantal tweetaligen constant bleef op 50 procent.

 

Naast Brussel-stad verfransten de gemeenten Elsene, Sint-Gillis, Etterbeek, Vorst, Watermaal-Bosvoorde en Sint-Joost-ten-Node het snelst. In Elsene, reeds in 1846 voor 45% Franstalig, slonk het aandeel eentalig Nederlandstaligen van 53,6% tot 3%, en bedroeg het aandeel eentalig Franstaligen in 1947 reeds 60%. Waar Sint-Gillis in 1846 nog voor 83% Nederlandstalig was, was dit honderd jaar later geëvolueerd tot voor de helft eentalig Frans met 39% tweetaligen. Etterbeek ging eveneens van een 97% eentalig Nederlands dorp over naar een stadsdeel waar bijna de helft enkel het Frans machtig was. Hetzelfde gold voor Vorst en Watermaal-Bosvoorde, waar de ongeveer volledig Nederlandstalige bevolking evolueerde naar ongeveer evenveel Franstaligen als tweetaligen, waardoor de eentalige Vlamingen een kleine minderheid werden, respectievelijk 5,7 en 6,9%. Terwijl er in Sint-Joost-ten-Node in 1846 nog evenveel eentalig Nederlandstaligen als Franstaligen waren, waren er in 1947 nog maar 6% eentalige Vlamingen tegenover 40% eentalige Franstaligen.

In 1962 wordt dan de taalgrens in België definitief vastgelegd.  Brussel werd definitief beperkt tot de 19 gemeenten en werd een tweetalig eiland binnen het eentalige Vlaanderen.

De verplichte tweetaligheid van Brussel en de eentaligheid van de Rand stootten echter al snel op Franstalig ongenoegen. Rabiate francofone partijen als het FDDF verzetten zich tegen de tweetaligheid van Brussel en in het bijzonder tegen de verplichte individuele tweetaligheid van de ambtenaren.

 

De gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken vormen één van de belangrijkste onderdelen van de taalwetgeving in België. In feite is de taalwet een samenvoeging van de wet van 28 juni 1932 op het gebruik van de talen in bestuurszaken; delen van de wet van 8 november 1962 tot wijziging van provincie-, arrondissements- en gemeentegrenzen en tot wijziging van de wet van 28 juni 1932 op het gebruik van de talen in bestuurszaken en van de wet van 14 juli 1932 houdende taalregeling in het lager en in het middelbaar onderwijs; en delen van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken.

 

De taalwet regelt het gebruik van talen in bestuurszaken. Dit geldt voor alle openbare overheden. De wet schrijft voor waar welke landstaal gebruikt moet worden: Nederlands, Frans of Duits. De wet regelt daarbij zowel het taalgebruik van ambtelijke diensten intern en onderling als het taalgebruik met de burger. De centrale diensten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn tweetalig en moeten zich aanpassen, uiteraard aan de taal van hun burgers maar ook aan de taal van de lokale besturen, al naargelang. Zo moet er officieel voldoende personeel zijn om beide taalgroepen te kunnen bedienen. Die bepaling trachtte men te omzeilen via het zogenaamde taalhoffelijkheidsakkoord, dat in de praktijk echter meer een taalwetovertredingsakkoord was. De Raad van State schorste dat akkoord dan ook in 2003[8] en nogmaals in 2005[9] wegens ongrondwettelijk.

Desalniettemin bleven en blijven de diverse overheden in Brussel de bestaande taalwetgeving, ook 50 jaar na datum, nog steeds feestelijk aan de laars lappen, zonder dat daar vanuit Vlaamse hoek op een overtuigende en efficiënte wijze tegen wordt geprotesteerd.

De tweetaligheid van het personeel

Elk jaar brengt de vicegouverneur van Brussel-Hoofdstad een verslag uit over de toepassing van de taalwetgeving in de Brusselse plaatselijke besturen. Jaar na jaar dienen we uit dit verslag te concluderen dat de taalwetgeving in Brussel helaas dode letter blijft.  Het jongste verslag handelt over het jaar 2014.[10] In hetgeen hieronder volgt geven we de voornaamste resultaten uit dit jaarverslag weer.

 

Wetgevende bepalingen[11]: met uitzondering van het vak- en werkliedenpersoneel dat niet in contact komt met het publiek moet iedereen die in dienst treedt van een Brussels plaatselijk bestuur eerst met succes een taalexamen bij Selor hebben afgelegd over zijn elementaire of voldoende kennis van de tweede taal.[12] De vaste rechtspraak van de Raad van State en van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht stelt dat het attest over de kennis van de tweede taal bij Selor behaald dient te worden voor de benoeming en dat dit geldt voor “elke inbreng van personeel, zowel voor een tijdelijke, een voorlopige of een andere niet vaste benoeming, in stage of in vast verband[13], kortom voor alle personeelsleden, ongeacht hun statuut.

 

De vicegouverneur is belast met de controle op de naleving van deze bepalingen en moet aanstellingen die daarmee strijdig zijn schorsen (art. 65 SWT). Om deze controle mogelijk te maken moeten de Brusselse plaatselijke besturen alle besluiten die betrekking hebben op benoemingen of bevorderingen naar de vicegouverneur doorsturen (art. 62, § 2  SWT). Door de vicegouverneur geschorste besluiten kunnen vervolgens door de gemeenten worden ingetrokken. Gebeurt dat niet, dan moeten deze besluiten worden vernietigd door de voogdijoverheid over de plaatselijke besturen. Voor de Brusselse gemeenten is dat de minister van de Brusselse regering belast met de voogdij over de gemeenten; voor de OCMW’s zijn dat de twee collegeleden van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie belast met de voogdij over de Brusselse OCMW’s. Volgens de rechtspraak van de Raad van State is deze vernietigingsbevoegdheid niet facultatief, maar verplichtend en is “een abdicatie [hiervan door de toezichthoudende overheid] wederrechtelijk”.[14] Worden de door de vicegouverneur geschorste dossiers evenwel niet vernietigd door de toezichthoudende overheid binnen de daartoe voorziene termijn, dan heeft dit tot gevolg dat de betrokken aangeworven personeelsleden, hoewel wederrechtelijk in dienst, verder ongestoord in dienst kunnen blijven.

 

Aanvankelijk gold het toezicht van de vicegouverneur ook de Brusselse lokale politie en de OCMW-ziekenhuizen. Sinds de invoering van de meergemeentepolitiezones vanaf 1 januari 2001 en sinds de oprichting van de IRIS-structuur voor de Brusselse OCMW-ziekenhuizen sturen deze besturen hun benoemingsdossiers evenwel niet meer door naar de vicegouverneur onder het mom dat zij daartoe krachtens hun nieuwe structuur niet meer verplicht zouden zijn. Hoewel zij onderhevig blijven aan de bepaling van de taalwetgeving, ontsnappen zij sindsdien aan elke controle vanwege de vicegouverneur en dus aan elke controle wat de toepassing van de taalwetgeving betreft. Daardoor heeft niemand nog zicht of en in hoeverre de bepalingen van de taalwet in bestuurszaken nog door deze besturen worden toegepast.

 

  1. De gemeenten

 

  1. Globaal beeld

 

  1. Schorsingen door de vicegouverneur

 

Totalen 2014. De vicegouverneur kreeg in totaal 1247 dossiers binnen.[15] Hiervan waren er 487 legaal (in orde met de taalvoorschriften, de betrokkenen beschikten dus over het vereiste taalattest) en niet minder dan 760 illegaal, dus niet in orde met de taalvoorschriften. 60,9% van alle dossiers was dus niet in orde met de taalvoorschriften. Toch schorste de vicegouverneur slechts 520 van de 760 illegale aanstellingen. Dat is 41,7% van het totaal aantal dossiers. Tegen de wet in liet de vicegouverneur 242 dossiers (19,4%) passeren voor “tewerkstellingen van zeer korte duur om de continuïteit van de dienst te verzekeren”.[16]

 

Totalen in historisch perspectief. In historisch perspectief betekent dit dat het aantal illegale benoemingen ongeveer op dezelfde hoogte als de twee voorgaande jaren blijft (tabel 1).

 

Tabel 1: percentage illegale benoemingen wegens gebrek aan kennis van de tweede taal in de Brusselse gemeenten 1995-2014[17]

 

Jaar                 % illegale benoemingen

 

1995                27%

1996                22%

1997                21,5%

1998                26%

1999                31,5%

2000                33%

2001                49,5%

2002                58%

2003                59%

2004                60%

2005                61,5%

2006                61,5%

2007                64%

2008                63%

2009                70%

2010                69,3%

2011                69,1%

2012                58,1%

2013                60,6%

2014                60,9%

 

Totalen 2014 per taalgroep. Men kan de gegevens ook opsplitsen per taalgroep. Voor de Nederlandstaligen was 43% van de aanstellingen illegaal, voor de Franstaligen 64%. Het aantal illegale benoemingen ligt voor wat de Franstalige ambtenaren betreft dus een flink stuk hoger dan bij de Nederlandstalige ambtenaren. Bovendien is de impact daarvan op de dienstverlening veel groter omdat het contingent Franstalige ambtenaren veel groter is dan het contingent Nederlandstalige ambtenaren.

 

Totalen 2014 volgens statuut. Voor wat de situatie per statuut betreft ziet het beeld er als volgt uit :

 

Voor de statutairen zijn 367 personeelsleden legaal benoemd (68 N en 299 F), maar 36 (of 8,9%) personeelsleden illegaal (1 N en 35 F). Het aantal illegale benoemingen blijft voor de statutairen voorlopig dus beperkt tot iets minder dan 1 op 10. Toch is ook hier reden tot ongerustheid. Het is pas heel recent dat op statutair vlak op ruimere schaal (Franstalige) illegale benoemingen worden verricht. De vicegouverneur stelde hierover in zijn jaarverslag 2011: “Wel zien we dat in 2011 het aantal statutaire aanstellingen dat bij gebrek aan taalbrevet moest worden geschorst, een veel hoger aantal (43) en percentage (12%) bereikte dan in de vorige jaren. In 2010 dienden slechts 23 (7%) van de statutaire aanstellingen geschorst te worden en in 2009 slechts 8 (2,4%).[18] In zijn besluiten stelde hij voor 2011 dan ook: “De belangrijkste negatieve evolutie is de toename van het aantal beslissingen inzake statutaire personeelsleden dat niet conform de bestuurstaalwetgeving is.”[19] Ook in 2014 blijft deze trend dus aanwezig, zij het op een iets lager niveau. De Franstalige politici beweren al decennia, tegen de taalwet en de rechtspraak in, dat contractuelen niet onderworpen zouden zijn aan de taalwet en overtreden daar dan ook al lang op grote schaal de taalwet. De laatste jaren laten de Franstaligen de maskers volledig vallen en wordt voortaan ook op het vlak van de vast benoemden de taalwet ongegeneerd geschonden.

 

Voor wat de contractuelen betreft, krijgen we het omgekeerde beeld en is de situatie, zoals al vele jaren, dramatisch. Slechts 120 (14,2%) van de 844 aanstellingen zijn legaal. Anders gesteld: bijna 9 van de 10 contractuele aanstellingen zijn illegaal. Bij de Nederlandstaligen is ‘nog’ 27,3% van de contractuele aanstellingen legaal; bij de Franstaligen echter nauwelijks 12,5%.

 

  1. Intrekking van beslissingen

 

Wanneer de vicegouverneur een beslissing van een gemeente wegens niet-conformiteit met de taalwet schorst, kan deze gemeente deze beslissing intrekken. Dat gebeurt echter bijna nooit. Van de 518 geschorste dossiers werden er door de gemeenten 2 ingetrokken. Dat is 0,4%.[20] In de praktijk kan dus worden gesteld dat bijna geen enkel besluit omtrent illegale aanstellingen door de gemeenten wordt ingetrokken. De gemeenten beschouwen het dus als de normaalste zaak dat zij de taalwet kunnen en mogen overtreden.

 

  1. Vernietigingen door de Brusselse minister bevoegd voor de plaatselijke besturen

 

Totalen 2014. Vervolgens is het aan de voogdijoverheid om deze beslissingen te vernietigen. Zoals eerder gesteld is dit een wettelijke verplichting voor de voogdij en geen keuzeoptie. Van geen enkele door de vicegouverneur geschorste beslissing, werd hem meegedeeld dat zij door de voogdijoverheid werd vernietigd.[21] De vicegouverneur voegt er wel aan toe dat de voogdijoverheid hem niet altijd in kennis stelt van dossiers die door haar worden vernietigd. Desalniettemin kan worden besloten dat de voogdijoverheid hier totaal in gebreke blijft en een van de hoofdverantwoordelijken is voor de totale uitholling van de toepassing van de taalwetgeving door de Brusselse plaatselijke besturen.

 

Totalen in historisch perspectief. Zoals onder meer uit onderstaande tabel blijkt, is het een historisch gegeven dat de voogdijoverheid zo goed als geen enkel benoemingsdossier dat in strijd is met de taalwet vernietigt.

 

Tabel 2. Percentage door de Brusselse minister bevoegd voor plaatselijke besturen vernietigde besluiten van gemeenten die door de vicegouverneur waren geschorst 2008-2014[22]

 

2008                0%

2009                0%

2010                0%

2011                0%

2012                0%

2013                ?

2014                0%

 

  1. De afzonderlijke gemeenten

 

Het beeld per gemeente is erg variërend, zoals tabellen 3 en 4 aantonen.

 

Tabel 3. Benoemingen in de afzonderlijke Brusselse gemeenten in 2014, aantal dossiers en percentage illegale benoemingen

 

Gemeente                              Aantal dossiers           percent illegaal

 

Anderlecht                             103                             54,4%

Brussel                                               281                             53,0%

Elsene                                     93                               61,3%

Etterbeek                               108                             63,9%

Evere                                      34                               64,7%

Ganshoren                              2                                 100,0%

Jette                                       66                               74,2%

Koekelberg                             22                               54,5%

Oudergem                              26                               65,4%

Schaarbeek                            80                               57,5%

Sint-Agatha-Berchem            6                                 66,7%

Sint-Gillis                                103                             68,0%

Sint-Jans-Molenbeek              12                               75,0%

Sint-Joost-ten-Node                50                               74,0%

Sint-Lambrechts-Woluwe      48                               52,1%

Sint-Pieters-Woluwe              30                               63,3%

Ukkel                                      91                               45,7%

Vorst                                       90                               87,8%

Watermaal-Bosvoorde           2                                 50,0%

 

 

Tabel 4. Procentueel aantal illegale benoemingen in de afzonderlijke Brusselse gemeenten in 2014, gegroepeerd volgens aantal gemeenten per schijf van 10%

 

% illegale                    Aantal

benoemingen             gemeenten

 

0-10%                         0

10,1-20%                    0

20,1-30%                    0

30,1-40%                    0

40,1-50%                    2

50,1-60%                    5

60,1-70%                    7

70,1-80%                    3

80,1-90%                    1

90,1-100%                  1

 

Alle Brusselse gemeenten komen zwaar tekort wat het naleven van de taalwet betreft. Maar toch zijn er belangrijke verschillen te noteren. In slechts 2 van de 19 gemeenten is de helft of meer dan de helft van de aanstellingen in overeenstemming met de taalwet; in de 17 andere gemeenten is meer dan de helft van de aanstellingen illegaal. Binnen deze groep is de omvang van het aantal illegale aanstellingen nog vrij uiteenlopend, met als recordhouder Ganshoren, waar 100% van alle aanstellingen in 2014 illegaal was. Omwille van het kleine absolute aantal betrekkingen waarover het in dit geval gaat, is dit beeld voor deze gemeente evenwel wellicht niet zo representatief. Deze vrij uiteenlopende resultaten tonen in ieder geval aan dat sommige gemeenten er wel degelijk gedeeltelijk in slagen om tweetalige personeelsleden aan te werven. Het argument van de Franstaligen dat er geen tweetaligen te vinden zijn en dat zij dus genoodzaakt zijn om voor de continuïteit van de dienst eentaligen aan te werven, wordt hiermee toch wel voor een stuk ontkracht. Bij veruit de meeste gemeenten moet in ieder geval een absolute onwil worden vastgesteld om inspanningen te doen om tweetaligen aan te werven. Het op dit vlak onbestaande toezicht van de voogdijoverheid is daar zonder twijfel niet vreemd aan.

 

  1. De OCMW’s

 

  1. Globaal beeld

 

  1. Schorsingen door de vicegouverneur

 

Totalen 2014. In 2014 kwamen er 1599 dossiers van aanstellingen door de OCMW’s binnen bij de vicegouverneur. Daarvan waren er slechts 222 in overeenstemming met de taalwet en niet minder dan 1377 was illegaal. Dat betekent dat 86,1% van alle dossiers illegaal was. Toch schorste de vicegouverneur slechts 574 van de 1377 illegale dossiers, dat is zo’n 35,9% van alle dossiers, net iets minder dan voor de gemeenten. Tegen de wet in liet hij niet minder dan 803 illegale dossiers (50,2%) ongemoeid voor “tewerkstellingen van zeer korte duur om de continuïteit van de dienst te verzekeren”.

 

Totalen in historisch perspectief.  In historisch perspectief (tabel 5) blijkt dat na een licht dalende trend van 2008 tot 2012, er terug een opwaartse beweging is van het aantal illegale aanstellingen in de Brusselse OCMW’s, en in 2014 opnieuw piekt na de historische records die in de jaren 2004-2008 werden geregistreerd.  Het aantal illegale aanstellingen blijft absoluut onaanvaardbaar hoog.

 

Tabel 5: percentage illegale aanstellingen in de Brusselse OCMW’s 1995-2012[23]

 

Jaar                 % illegale aanstellingen

 

1995                36%

1996                50%

1997                44%

1998                73%

1999                75%

2000                69%

2001                82%

2002                81%

2003                82,50%

2004                88%

2005                90%

2006                91%

2007                87%

2008                91%

2009                86%

2010                86%

2011                85%

2012                80%

2013                83%

2014                86%

 

Totalen 2014 per taalgroep. Net zoals voor de gemeenten noteren we hier vergelijkbare verhoudingen in het aantal illegale aanstellingen als we ze per taalgroep opsplitsen. Bij de Nederlandstaligen is 50,6% van de aanstellingen illegaal, bij de Franstaligen niet minder dan 87,9%. Voor beide groepen ligt dat hoger dan voor de gemeenten, maar vooral bij de Franstaligen is het verschil groter. Wat we voor de gemeenten konden vaststellen, is hier nog meer van toepassing: door het absolute overwicht van de Franstaligen in de OCMW’s, is de impact ervan op de dienstverlening voor de Nederlandstaligen hierdoor zeer negatief.

 

Totalen 2014 volgens statuut. Bij de statutairen zijn veruit de meeste benoemingen in de OCMW’s merkwaardig genoeg nog altijd legaal: 163 statutaire aanstellingen (27 N en 136 F) zijn legaal en 21 (1 N en 20 F) of 11,6% is illegaal. Ook voor de OCMW’s zien we dus in 2014 het fenomeen opduiken dat er bij de vast benoemden meer en meer illegale aanstellingen zijn, wat de voorgaande jaren omzeggens niet het geval was.

 

Maar het is vooral op het vlak van de contractuelen dat het hek al jarenlang helemaal van de dam is. Van de 1415 contractuele aanstellingen (49 N en 1366 F) zijn er slechts 59 (11 N en 48 F), of 4,2% in overeenstemming met de taalwet. 95,8% van de contractuelen in de OCMW’s werden in 2014 dus in strijd met de taalwet aangeworven.

 

 

  1. Intrekking van beslissingen

 

Van de 593 door de vicegouverneur geschorste beslissingen werden er zegge en schrijve 0 (nul) door de OCMW’s ingetrokken.[24] Ook de OCMW’s vinden het bijgevolg absoluut geoorloofd zich niets aan te trekken van de taalwetgeving.

 

 

  1. Vernietigingen door de Brusselse collegeleden bevoegd voor de plaatselijke besturen

 

Totalen 2014. De vicegouverneur geeft in zijn jaarverslag te kennen dat hij van geen enkele vernietiging door de twee collegeleden van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) kennis heeft. Ook hier blijft de toezichthoudende overheid dus helemaal in gebreke.

 

Totalen in historisch perspectief. Net zoals bij de gemeenten kan worden vastgesteld dat het vernietigingsbeleid van onwettige aanstellingen door de collegeleden van de GGC nagenoeg onbestaande is.

 

 

Tabel 6. Percentage door de collegeleden van de GGC vernietigde besluiten van OCMW’s die door de vicegouverneur waren geschorst 2008-2014[25]

 

2008                0,1%

2009                0,2%

2010                0%

2011                0%

2012                0%

2013                ?

2014                0%

 

 

  1. De afzonderlijke OCMW’s

 

Tabel 7. Aanstellingen in de afzonderlijke Brusselse OCMW’s in 2014, aantal dossiers en percentage illegale aanstellingen

 

OCMW                                   Aantal dossiers           percent illegaal

 

Anderlecht                             33                               87,9%

Brussel                                               351                             83,2%

Elsene                                     91                               86,8%

Etterbeek                               131                             94,6%

Evere                                      48                               79,2%

Ganshoren                              32                               100,0%

Jette                                       55                               85,5%

Koekelberg                             15                               80,0%

Oudergem                              39                               82,0%

Schaarbeek                            140                             97,9%

Sint-Agatha-Berchem            29                               89,6%

Sint-Gillis                                84                               85,7%

Sint-Jans-Molenbeek              139                             82,0%

Sint-Joost-ten-Node                77                               80,5%

Sint-Lambrechts-Woluwe      36                               88,9%

Sint-Pieters-Woluwe              46                               73,9%

Ukkel                                      132                             76,5%

Vorst                                       86                               100,0%

Watermaal-Bosvoorde          34                               79,4%

 

 

Tabel 8. Procentueel aantal illegale aanstellingen in de afzonderlijke Brusselse OCMW’s in 2012, gegroepeerd volgens aantal OCMW’s per schijf van 10%

 

% illegale                    Aantal

aanstellingen              OCMW’s

 

0-10%                         0

10,1-20%                    0

20,1-30%                    0

30,1-40%                    0

40,1-50%                    0

50,1-60%                    0

60,1-70%                    0

70,1-80%                    6

80,1-90%                    9

90,1-100%                  4

 

In vergelijking met de gemeenten is het beeld voor de OCMW’s zoals te verwachten een stuk negatiever. Alle OCMW’s overtreden op de meest flagrante wijze de taalwet door als regel in essentie eentaligen aan te werven en als uitzondering op de regel tweetaligen. Bij alle OCMW’s is meer dan 7 op de 10 aanwervingen illegaal.

 

 

  • De verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen

 

 

Wetgevende bepalingen: concreet moet er voor de hogere betrekkingen pariteit zijn. Voor de lagere betrekkingen moet minstens 25% van de betrekkingen aan elke taalgroep toekomen.[26]

 

  1. De gemeenten

 

  1. De hogere betrekkingen

 

De vicegouverneur verstrekt hierover een aantal cijfers die, in tegenstelling tot zijn voorgaande jaarverslagen, nu wel recent en dus representatief zijn[27]. Het beeld ziet er als volgt uit:

 

Tabel 9. Verdeling van de hogere betrekkingen in de Brusselse gemeenten

 

Gemeente                              NL abs NL %   F abs    F%

 

Anderlecht                             15        52%     14        48%

Brussel                                               24        45%     29        55%

Elsene                                     5          50%     5          50%

Etterbeek                               1          8%       11        92%

Evere                                      3          37%     5          63%

Ganshoren                              1          17%     5          83%

Jette                                       7          26%     20        74%

Koekelberg                             1          17%     5          83%

Oudergem                              4          57%     3          43%

Schaarbeek                            10        40%     15        60%

Sint-Agatha-Berchem            3          37%     5          63%

Sint-Gillis                                1          8%       12        92%

Sint-Jans-Molenbeek              5          45%     6          55%

Sint-Joost-ten-Node                2          67%     1          33%

Sint-Lambrechts-Woluwe      3          20%     12        80%

Sint-Pieters-Woluwe              3          33%     6          66%

Ukkel                                      8          44%     10        56%

Vorst                                       3          37%     5          63%

Watermaal-Bosvoorde          1          25%     3          75%

 

Totaal                                     100      37%     172      63%

 

Slechts in 1 van de 19 gemeenten wordt de voorgeschreven pariteit gerespecteerd. In 4 andere gemeenten kan worden gesteld dat dit in de praktijk ook het geval is. Het betreft hier gemeenten met een oneven aantal topfuncties, waarbij uit de aard der dingen geen volslagen pariteit kan worden bereikt en het verschil in aantal functies verdeeld over de taalgroepen niet groter dan 1 is. In 3 van deze  gemeenten zijn de Nederlandstaligen in het voordeel; in de  overblijvende gemeente de Franstaligen. Voor de hogere betrekkingen wordt in slechts een kwart van de Brusselse gemeenten de voorgeschreven pariteit dus  nageleefd. Daarnaast zijn er 14 gemeenten waar dat niet het geval is. In deze 14 gemeenten zijn het altijd de Nederlandstaligen die ondervertegenwoordigd zijn. Dikwijls is deze ondervertegenwoordiging zeer uitgesproken, zodat er geen sprake kan zijn van een tijdelijk onevenwicht, maar wel van een bewust beleid om de pariteitsregel niet na te leven. Globaal genomen komen we daardoor uit op een verhouding van 63 F en 37 N. Een duidelijke scheeftrekking. Hierdoor worden 36 topbetrekkingen aan de Nederlandstaligenonthouden (waar zij nochtans bij wet recht op hebben) ten voordele van Franstaligen.

 

  1. De lagere betrekkingen

 

Voor de lagere betrekkingen geeft de vicegouverneur in geen enkel van zijn jaarverslagen cijfers over een verdeling over de taalgroepen. Aangezien de wetgever stelt dat minstens 25% “van de te begeven betrekkingen” aan elke taalgroep moet toekomen, betekent dit in de praktijk, volgens de rechtspraak van de Raad van State, dat sinds de inwerkingtreding van deze bepaling in 1963 er door de gemeenten tellingen hadden moeten worden bijgehouden van de betrekkingen die zij hebben opengesteld en dat hiervan cumulatief de optelling had moeten worden gemaakt om te kunnen bepalen of deze verhoudingen in acht worden genomen. Voor zover we weten werden deze tellingen evenwel niet bijgehouden. Ook naar de actuele stand van zaken met betrekking tot de werkelijke taalverhoudingen in het personeelsbestand van de Brusselse gemeenten is het raden, vermits dit angstvallig geheim wordt gehouden. Op een enkele uitzondering na, worden parlementaire vragen hierover onbeantwoord gelaten. Men kan echter wel een benaderend beeld van de taalverhoudingen krijgen op basis van de dossiers die bij de vicegouverneur jaarlijks worden ingediend.[28] In onderstaande tabellen geven we daarvan een overzicht voor het jaar 2014.

 

Tabel 10. In 2014 bij de vicegouverneur ingekomen dossiers per gemeente, opgedeeld per taalgroep (absoluut en in percent)

 

Gemeente                              NL abs NL%                 F abs    F%                   Totaal

 

Anderlecht                             16        15,5%              87        84,5%              103

Brussel                                               68        24,2%              213      75,8%              281

Elsene                                     6          6,4%                87        93,6%              93

Etterbeek                               6          5,5%                102      94,5%              108

Evere                                      10        29,4%              24        70,8%              34

Ganshoren                              0          0,0%                2          100,0%            2

Jette                                       10        15,1%              56        84,9%              66

Koekelberg                             4          18,2%              18        81,8%              22

Oudergem                              3          11,5%              23        88,5%              26

Schaarbeek                            9          11,2%              71        88,8%              80

Sint-Agatha-Berchem            1          10,0%              5          90,0%              6

Sint-Gillis                                6          5,8%                97        94,2%              103

Sint-Jans-Molenbeek              3          25,0%              9          75,0%              12

Sint-Joost-ten-Node                2          4,0%                48        96,0%              50

Sint-Lambrechts-Woluwe      4          8,3%                44        91,7%              48

Sint-Pieters-Woluwe              4          13,3%              26        86,7%              30

Ukkel                                      10        11,0%              81        89,0%              91

Vorst                                       5          5,5%                85        94,5%              90

Watermaal-Bosvoorde          1          50,0%              1          50,0%              2

 

Totaal                                     168      13,5%              1079    86,5%              1247

 

Tabel 11. Synthese van tabel 10, per schijven van 5%

 

% aandeel NL             aantal gemeenten

 

0%                               1

0,1-5%                        1

5,1-10%                      6

10,1-15%                    4

15,1-20%                    3

20,1-25%                    2

25+ %                          2

 

Uit deze gegevens mag blijken dat er voor de verdeling van de lagere betrekkingen grote scheeftrekkingen plaatsgrijpen. Slechts in 2 van de 19 gemeenten kregen de Nederlandstaligen (iets meer dan) het hen wettelijk voorgeschreven minimumaandeel van 25% van de jobs toegewezen. Voor één van deze twee gemeenten is dit resultaat bovendien niet representatief omdat het in totaal slechts om twee betrekkingen gaat. In de meeste gemeenten wordt dit minimumaandeel evenwel op verre na niet bereikt. Integendeel, in de meeste gemeenten komen de Nederlandstaligen nauwelijks aan bod. Dat blijkt ook uit de totalen. In zijn globaliteit kregen de Nederlandstaligen in 2014 slechts 13,5% van de te begeven lagere betrekkingen in de Brusselse gemeenten, nauwelijks de helft van het absolute minimum dat hen wettelijk gezien moet toekomen. De Nederlandstaligen kregen 168 jobs, maar 144 jobs die hen minstens eveneens moesten toekomen, werden hen niet gegund en aan Franstaligen gegeven.

 

We herinneren eraan dat het hier slechts over de aanwervingen in de 19 Brusselse gemeenten gaat over één enkel jaar en niet om de voltallige personeelsformatie van deze gemeenten. Moest deze laatste in rekening kunnen worden gebracht, dan zal daaruit blijken dat de Nederlandstaligen, tegen de wet in, in de Brusselse gemeenten wellicht duizend of meer betrekkingen worden onthouden. Bij gebrek aan recente gegevens kan dit evenwel niet zwart op wit worden aangetoond.

 

 

  1. De OCMW’s

 

  1. De hogere betrekkingen

 

 

Tabel 12. Verdeling van de hogere betrekkingen in de Brusselse OCMW’s

 

OCMW                                   NL abs NL %   F abs    F%

 

Anderlecht                             2          50%     2          50%

Brussel[29]                                 15        48%     16        52%

Elsene                                     2          22%     7          78%

Etterbeek                               2          50%     2          50%

Evere                                      1          50%     1          50%

Ganshoren                              2          50%     2          50%

Jette                                       3          60%     2          40%

Koekelberg                             0          0%       2          100%

Oudergem                              0          0%       2          100%

Schaarbeek                            4          27%     11        73%

Sint-Agatha-Berchem            2          100%   0          0%

Sint-Gillis                                2          40%     3          60%

Sint-Jans-Molenbeek              4          44%     5          56%

Sint-Joost-ten-Node                1          25%     3          75%

Sint-Lambrechts-Woluwe      4          29%     10        71%

Sint-Pieters-Woluwe              1          25%     3          75%

Ukkel                                      1          17%     5          82%

Vorst                                       3          50%     3          50%

Watermaal-Bosvoorde          1          50%     1          50%

 

Totaal                                     47        37%     80        63%

 

 

De situatie inzake pariteit voor de hogere betrekkingen is gemiddeld genomen dezelfde in de OCMW’s als in de gemeenten. In 6 van de 19 OCMW’s wordt de voorgeschreven pariteit effectief bereikt. Daarnaast zijn er nog 4 andere OCMW’s waar dat bij benadering het geval is. Het betreft hier OCMW’s met een oneven aantal topfuncties, waarbij uit de aard der dingen geen volslagen pariteit kan worden bereikt en het verschil in aantal functies verdeeld over de taalgroepen niet groter dan 1 is. Voor de hogere betrekkingen wordt in ongeveer de helft van de Brusselse OCMW’s de voorgeschreven pariteit dus min of meer nageleefd. Daarnaast zijn er 9 OCMW’s waar dat niet het geval is. In 1 OCMW (Sint-Agatha-Berchem) zijn de Nederlandstaligen oververtegenwoordigd. In de 8 overblijvende OCMW’s zijn de Franstaligen uitgesproken oververtegenwoordigd. In deze laatste gevallen kan er bijgevolg geen sprake meer zijn van een tijdelijk onevenwicht, maar wel van een bewust beleid om de pariteitsregel niet na te leven. Globaal genomen komen we daardoor uit op een verhouding van 80 F en 47 N. Een duidelijke scheeftrekking. Toch worden hierdoor 16,5 topbetrekkingen aan de Nederlandstaligen onthouden ten voordele van Franstaligen.

 

 

  1. De lagere betrekkingen

 

Dezelfde opmerkingen die voor de gemeenten werden gemaakt, gelden ook hier. De cijfers zijn de volgende:

 

Tabel 13. In 2014 bij de vicegouverneur ingekomen dossiers per OCMW, opgedeeld per taalgroep (absoluut en procentueel)

 

OCMW                                   NL abs NL %               F abs    F%                   Totaal

 

Anderlecht                             1          3,0%                32        97,0%              33

Brussel                                               17        4,8%                334      95,2%              351

Elsene                                     6          6,6%                85        93,4%              91

Etterbeek                               0          0,0%                131      100%               131

Evere                                      1          2,1%                47        97,9%              48

Ganshoren                              5          15,6%              27        84,4%              32

Jette                                       5          9,1%                50        90,9%              55

Koekelberg                             1          6,7%                14        93,3%              15

Oudergem                              0          0,0%                39        100,0%            39

Schaarbeek                            5          3,6%                135      96,4%              140

Sint-Agatha-Berchem            4          13,8%              25        86,2%              29

Sint-Gillis                                5          5,9%                79        94,1%              84

Sint-Jans-Molenbeek              12        8,6%                127      91,4%              139

Sint-Joost-ten-Node                4          5,2%                73        94,8%              77

Sint-Lambrechts-Woluwe      1          2,8%                35        97,2%              36

Sint-Pieters-Woluwe              0          0,0%                46        100%               46

Ukkel                                      9          6,8%                123      93,2%              132

Vorst                                       0          0,0%                86        100,0%            99

Watermaal-Bosvoorde          0          0,0%                34        100%               34

 

Totaal                                     77        4,8%                1522    95,2%              1599

 

 

 

Tabel 14. Synthese van tabel 13, per schijven van 5%

 

% aandeel NL             aantal OCMW’s

 

0%                               5

0,1-5%                        5

5,1-10%                      7

10,1-15%                    1

15,1-20%                    1

20,1-25%                    0

25+%                           0

 

Uit deze gegevens kan maar één conclusie worden getrokken en dat is dat de verdeling van de lagere betrekkingen in de OCMW’s dramatisch uitvallen ten nadele van de Nederlandstaligen . In geen enkel OCMW wordt de minimumverhouding van 25% van de betrekkingen gehaald of zelfs maar enigszins benaderd. Voor de rest is het huilen met de pet op. In 5 OCMW’s kregen de Nederlandstaligen zelfs geen enkele betrekking toebedeeld. Globaal genomen kregen de Nederlandstaligen in 2014 nog niet eens 5% van de betrekkingen in de OCMW’s, dat is minstens vijfmaal te weinig dan waar ze wettelijk recht op hebben. De Nederlandstaligen kregen slechts 77 jobs, dat zijn er niet minder dan 323 te weinig van wat hen minimaal volgens de wet had moeten toekomen.

 

 

  1. Besluiten

 

 

Het is algemeen geweten dat sinds de voogdij over de Brusselse gemeenten in deze aangelegenheid is overgegaan naar de Brusselse gewestelijke instanties, de vernietiging van onwettige benoemingen in de Brusselse plaatselijke besturen zo goed als dode letter is geworden. Meer zelfs, de Brusselse gewestelijke voogdijinstanties hebben er alles aan gedaan om de toepassing van de taalwetgeving in Brussel grondig, en met succes, te saboteren. In dit verband kan worden herinnerd aan het afsluiten van het zogenaamde taalhoffelijkheidsakkoord in de schoot van de Brusselse regering, dat in feite niets anders dan een taalwetovertredingsakkoord was, en dat zijn neerslag heeft gekregen in omzendbrieven van 19 november 1997, 18 en 19 juli 2002 en 14 en 29 oktober 2004. Hoewel de Raad van State deze omzendbrieven heeft geschorst en vervolgens vernietigd[30] omdat zij manifest in strijd zijn met de taalwet in bestuurszaken, worden de bepalingen ervan tot op de dag van vandaag nog altijd feitelijk toegepast, zowel door de vicegouverneur in zijn schorsingsbeleid als door de Brusselse gewestelijke voogdijinstanties in hun vernietigingsbeleid. De Raad van State heeft immers duidelijk gesteld dat argumenten als de efficiëntie en de continuïteit van de dienstverlening niet kunnen worden ingeroepen om de taalwet in bestuurszaken naast zich neer te leggen[31]. Voor wat de Brusselse gewestelijke voogdijinstanties betreft, heeft de Raad van State even duidelijk gesteld dat geschorste benoemingen verplicht moeten worden vernietigd door de bevoegde minister of collegeleden. Hiermee leggen de vicegouverneur en de Brusselse gewestelijke voogdijinstanties de nochtans zeer duidelijke arresten van het hoogste rechtscollege van het land dus gewoon naast zich neer.

 

In de Brusselse plaatselijke besturen heerst bijgevolg, mee ten gevolge van het falen van de toezichthoudende instanties, de totale illegaliteit wat de naleving van de taalwetgeving betreft. Het gevolg hiervan is dat de wettelijk voorgeschreven tweetaligheid van de diensten via de tweetaligheid van het personeel vaak onbestaand is en dat de Nederlandstaligen vele honderden banen die hen wettelijk toekomen worden ontstolen door het niet naleven van de bepalingen inzake de verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen.

 

Dit alles blijkt ook voor het jaar 2014 uit het jaarverslag van de vicegouverneur. Wat de voorgeschreven tweetaligheid van de personeelsleden betreft, wordt de taalwet in die mate overtreden, dat er (al lang) geen sprake meer is van tweetaligheid van de dienst via tweetalige personeelsleden. In de gemeenten beschikte in 2014 6 op de 10 nieuw aangeworven personeelsleden niet over het nodige attest over hun kennis van de tweede taal. Voor de OCMW’s loopt dit aantal zelfs op tot 8,5 op de 10 aanwervingen. Het is dan ook niet te verwonderen dat Nederlandstaligen die in contact komen met personeelsleden van de Brusselse plaatselijke besturen heel dikwijls niet of niet op een aanvaardbare manier in hun eigen taal te woord kunnen worden gestaan. Op dit vlak is de taalwet met andere woorden voor een groot stuk dode letter.

 

Hetzelfde geldt voor wat de verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen betreft. Voor de hogere betrekkingen wordt bij wet pariteit voorgeschreven. Deze wordt – ten nadele van de Nederlandstaligen uiteraard – niet gehaald, niet in de gemeenten, noch in de OCMW’s. Toch blijven de scheeftrekkingen op dat vlak nog enigszins binnen de perken. Voor wat de lagere betrekkingen betreft, het gros van de jobs dus, zijn er evenwel enorme scheeftrekkingen. In de gemeenten wordt de Nederlandstaligen bijna de helft van de jobs die hen minimaal toekomen onthouden. In de OCMW’s is de situatie nog veel dramatischer. Daar wordt de Nederlandstaligen niet eens één vijfde toegekend van waar ze minimaal wettelijk recht op hebben.

 

Voor de OCMW’s en de gemeenten samen kan voor 2014 alvast worden vastgesteld dat hen niet minder dan 467 jobs uit de lagere kaders werden ontstolen waar ze wettelijk recht op hebben. Neem daarbij nog 52,5 jobs uit de topkaders en we komen tot niet minder dan  520 jobs die de Nederlandstaligen moeten derven.

 

Daarbij moet er nogmaals op worden gewezen dat het hier slechts gaat om een momentopname inzake de aanwervingen voor het jaar 2014 alléén en niet om de totale personeelsbezetting van de Brusselse gemeenten en OCMW’s die volgens de wet in rekening moet worden gebracht. Er kan evenwel geen twijfel over bestaan dat wanneer de werkelijke personeelsformaties in kaart zouden kunnen worden gebracht, hieruit zou blijken dat de Nederlandstaligen ettelijke duizenden betrekkingen die hen bij wet toekomen in de Brusselse gemeenten en OCMW’s worden ontstolen.

 

De Nederlandstaligen worden met andere woorden permanent en op grootschalige wijze gerold in Brussel. Maar er is geen haan die ernaar kraait…

 

 

 

  1. Politieke maatregelen zijn nodig

 

Het verslag van de vicegouverneur toont dus nog maar eens aan wat al veel langer gekend is: de taalwet wordt in Brussel door de plaatselijke besturen op geen enkele wijze nageleefd. De gevolgen daarvan voor de Nederlandstaligen zijn dramatisch: er is zo goed als geen tweetaligheid van de dienst en er worden duizenden betrekkingen aan de Nederlandstaligen ontstolen.

 

De redenen waarom dit zo is, zijn eveneens gekend en worden andermaal bevestigd in de analyse van het recentste jaarverslag van de vicegouverneur. De voogdij, die bij de Brusselse regeringsinstanties ligt, is onbestaande. De voogdijoverheid vernietigt, tegen de wet en de rechtspraak van de Raad van State in, geen enkele door de vicegouverneur geschorste illegale aanstelling. En zelfs de vicegouverneur laat, eveneens tegen de wet in, een belangrijk deel van de illegale aanstellingen die hij moet schorsen, onbestraft passeren. Ook blijkt hoe zwak de vicegouverneur staat om zijn controleopdrachten tot een goed einde te brengen. Voor wat de controle op de correcte verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen betreft, beschikt de man in veruit de meeste gevallen niet over de meest elementaire informatie om deze opdracht te kunnen uitoefenen. Het ligt dan ook voor de hand, zoals ook uit zijn jaarverslagen blijkt, dat de vicegouverneur geen enkele aanstelling heeft geschorst wegens het niet naleven van de voorgeschreven taalverhoudingen, hoewel dat wettelijk gezien ook tot zijn takenpakket behoort. Dit alles maakt dat de plaatselijke besturen vrij spel hebben om de taalwet naar hartenlust met de voeten te treden, steeds ten nadele van de Nederlandstaligen. Hun Franstalige bestuurders maken daar dan ook gretig gebruik van, want niemand legt hen een strobreed in de weg.

 

Om daaraan paal en perk te stellen, is bijgevolg politiek en wetgevend ingrijpen noodzakelijk.  Het is de eerste en voornaamste taak van de VGC om op te komen voor de rechten van de Nederlandstaligen in Brussel.  Het is dan ook de taak en de plicht van diezelfde VGC om alle mogelijke middelen aan te wenden en druk uit te oefenen op zowel de lokale besturen in Brussel, de Brusselse voogdijoverheid als de federale regering die bevoegd is over de taalwetgeving in Brussel.

 

  • In allereerste instantie moet de voogdij inzake taalaangelegenheden die momenteel bij de Brusselse regeringsinstanties berust (Brusselse hoofdstedelijke regering, college van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie) aan hen worden onttrokken. Zij hebben, ondanks diverse arresten van de Raad van State en ondanks de wettelijke verplichting, al jaren duidelijk gemaakt dat zij hun vernietigingsbevoegdheid voor onwettige benoemingen niet willen gebruikt.
  • De bevoegdheden van de vicegouverneur moeten daarentegen worden uitgebreid. Naast de schorsingsbevoegdheid, moet ook de vernietigingsbevoegdheid worden toegekend aan de vicegouverneur.
  • Het is daarbij belangrijk de functie van vicegouverneur volledig aan de bevoegdheid van de Brusselse instanties te onttrekken. Momenteel staat ook deze immers onder voogdij van de Brusselse instanties, wat onder meer verklaart waarom hij de voorbije jaren een deel illegale aanstellingen niet heeft geschorst. De vicegouverneur moet terug over de hele lijn een federale ambtenaar worden die onder voogdij komt te staan van de federale minister van Binnenlandse Zaken.
  • Om de vicegouverneur te responsabiliseren over zijn toezichtsbeleid is het ook nodig hem jaarlijks te laten rapporteren aan het federale parlement en aan de VGC (nu doet hij dat zonder wettelijke basis aan de Brusselse regering).
  • Voorts moet de taalwet verder worden geëxpliciteerd. Zo moet bijvoorbeeld de controle op de correcte verdeling van de betrekkingen praktisch mogelijk worden gemaakt door bij elk aanstellingsdossier een geactualiseerde tabel te voegen met de werkelijke personeelsbezetting op dat moment.
  • Om te voorkomen dat plaatselijke besturen nalaten hun aanstellingsdossiers ter controle door te sturen naar de vicegouverneur, moet de wetgever hierop de nietigheid van rechtswege van dergelijke aanstellingen invoeren.
  • Ten slotte is ook het feitelijk herstel van de controle van de vicegouverneur over de Brusselse politiezones en de ziekenhuizen van de IRIS-structuur Deze vallen daar momenteel in de praktijk immers volledig buiten hoewel ze nog steeds onderworpen zijn aan de taalwet in bestuurszaken.

[1] Bogaert-Damin, Anne Marie; Luc Maréchal, Bruxelles: développement de l’ensemble urbain 1846-1961, Presses universitaires de Namur, 1978, p. 337. ISBN 9782870370896

[2] Origineel: On ne sait pas le français, personne ne le sait, mais tout le monde affecte de ne pas connaître le flamand. C’est de bon goût. La preuve qu’ils le savent très bien, c’est qu’ils engueulent leurs domestiques en flamand.

[3] de Vriendt, Sera, Brussels, Taal in stad en land, Lannoo Uitgeverij, 2005. ISBN 9020958577

[4] Over het Brussels Nederlandstalig onderwijs, Vlaamse Gemeenschapscommissie.

[5] van Velthoven, Harry, De taalwetgeving en het probleem Brussel, 1830-1914 (pdf), Taal en Sociale Integratie, IV, Vrije Universiteit Brussel (VUB), 1981, p. 248-260

[6] Blampain, Daniel, Le français en Belgique: Une communauté, une langue, De Boeck Université, 1997. ISBN 2801111260.

[7] Velthoven, Harry, Taal- en onderwijspolitiek te Brussel (1878-1914) (pdf), Taal en Sociale Integratie, IV, Vrije Universiteit Brussel (VUB), 1981, p. 261-387

[8] Arrest 118134 van de Raad van State van 8 april 2003

[9] Arrest 143469 van de Raad van State van 21 april 2005

[10] Verslag van de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad voor het jaar 2014, onuitgegeven verslag, 78 p.

[11] Gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik der talen in bestuurszaken (afgekort: SWT).

[12]Art. 21. […]  § 2. Wanneer het voorgeschreven wordt, omvat het toelatingsexamen voor iedere kandidaat een schriftelijk of computergestuurd gedeelte over de elementaire kennis van de tweede taal.

Indien geen toelatingsexamen voorgeschreven wordt, moet de kandidaat, vóór zijn benoeming, aan een schriftelijk of computergestuurd examen over dezelfde kennis onderworpen worden.

  • 3. De §§ 1 en 2 zijn niet toepasselijk op het vak- en werkliedenpersoneel.
  • 4. Wordt afhankelijk gemaakt van het slagen voor een schriftelijk of computergestuurd examen over de voldoende kennis van de tweede taal, iedere benoeming of bevordering tot een ambt, waarvan de titularis, tegenover de overheid waaronder hij ressorteert, verantwoordelijk is voor het behoud van de eenheid in de rechtspraak of in het beheer van de dienst waarvan de hoge leiding hem is toevertrouwd.
  • 5. Onverminderd voorgaande bepalingen kan niemand benoemd of bevorderd worden tot een ambt of betrekking, waarvan de titularis omgang heeft met het publiek, indien hij er niet mondeling van laat blijken door een aanvullend examengedeelte of door een bijzonder examen, dat hij aan de aard van de waar te nemen functie aangepaste voldoende of elementaire kennis bezit van de tweede taal.

[13] Bijvoorbeeld arrest van de Raad van State nr. 28.387 van 2 juli 1987 en advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht nr. 1915 van 19 oktober 1967.

[14] Bijvoorbeeld arrest van de Raad van State nr. 156.436 van 16 maart 2006.

[15] Het gaat hier over dossiers, niet over aangeworven personen. Een persoon kan meerdere dossiers hebben. Maar wellicht zal het aantal dossiers niet wezenlijk afwijken van het aantal personen waarover het gaat. Verslag…, p. 8.

[16] De Raad van State heeft meermaals gesteld dat het inroepen van de continuïteit van de dienst geen reden is om de taalwetgeving naast zich neer te leggen. Bvb. arrest van de Raad van State nr. 118.134 van 8 april 2003, blz. 11.

[17] Verslag…, p. 63.

[18] Verslag van de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad voor het jaar 2011, onuitgegeven verslag, p. 9.

[19] Verslag van de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad voor het jaar 2011, onuitgegeven verslag, p. 82.

[20] Verslag…, p. 19.

[21] Verslag…, p. 21.

[22] Op basis van de verslagen van de vicegouverneur voor de jaren 2008-2014.

[23] Verslag…, p. 64.

[24] Verslag…, p. 20.

[25] Op basis van de jaarverslagen van de vicegouverneur over de jaren 2008-2014.

[26]Art. 21, § 7. Bij de werving van hun personeel dienen de besturen van de gemeenten en die van de openbare personen die aan de gemeenten ondergeschikt zijn, ten minste 50 % van de te begeven betrekkingen in gelijke mate te verdelen over de beide taalgroepen.

Onverminderd de bepalingen van artikel 68, lid 1, moeten, ten laatste tien jaar na 1 september 1963, de betrekkingen die gelijk aan of hoger zijn dan die van afdelingschef, in gelijke mate, bezet worden door ambtenaren van beide taalgroepen.”

[27] Verslag…, p. 74.

[28] Er moet wel aan worden herinnerd dat de cijfers die de vicegouverneur geeft, slaan op dossiers en niet op aantal personeelsleden. Voor eenzelfde personeelslid kunnen in hetzelfde jaar meerdere dossiers bij de vicegouverneur zijn ingediend. Wellicht zijn de afwijkingen tussen beide categorieën evenwel niet erg groot.

[29] Deze gegevens zijn niet meer actueel: zij dateren van 2001 en geven dus de toestand van 15 jaar geleden weer.

[30] Arresten van de Raad van State nrs. 118.134 van 8 april 2003, 143.469 van 21 april 2005, 156.436 van 16 maart 2006 en 161.084 van 7 juli 2006.

[31] Bvb. arrest van de Raad van State nr. 118.134 van 8 april 2003, p. 11.

Fusie politiezones: hoe geloofwaardig is de N-VA nog?

 

jambon

De heer Jambon toont hoeveel geloofwaardigheid de N-VA nog heeft

De Kracht van Verandering? Wel ja…vooral dan de kracht van verandering van gedacht.

De fusie van de Brusselse politiezones is al lang een Vlaamse eis. Eén waarvan het Vlaams Blok indertijd zoals zo vaak een voortrekker was. Vandaag is het vooral de Brusselse N-VA die om ter luidst roept wanneer deze materie in het hoofdstedelijk parlement ter sprake komt. Niet omwille van de veiligheid van de Brusselaar, maar wel om de macht van de ‘PS-baronnen’ te breken. Waarbij de N-VA er wel erg vlotjes aan voorbij gaat dat heel wat Brusselse burgemeesters geen PS-baronnen maar MR-baronnen zijn. Van hun eigen coalitiepartner dus.

Nu ligt de bevoegdheid om de Brusselse zones te fusioneren echter niet bij het hoofdstedelijk parlement. Neen, het is de federale minister van Binnenlandse Zaken die de sleutel in handen heeft. Jan Jambon van de N-VA dus.

Probleem opgelost, zou je dan denken. N-VA roept in Brussel voor een fusie, dus Jambon tracht dit federaal te verwezenlijken. 1+1 is namelijk nog altijd 2.

Niet dus. Want wat zegt Jambon in De Zondag van 12 juni? Het regeerakkoord is duidelijk: we openen geen communautaire dossiers en we gaan de fusies van politiezones niet verplichten.

Kortom: voor de N-VA is de communautaire vrede (of de communautaire stilstand, zo U wil) veel belangrijker dan goed bestuur en de veiligheid van de Brusselaars.

Wil de N-VA Brussel in ’t vervolg dan ook stilletjes zwijgen over dit dossier aub? Kwestie van toch nog een héél klein beetje geloofwaardigheid te behouden.

Respect voor de taalwet: één tegen allen

taalwetVandaag (10 juni) kwam het in het BHP  tot een stevig debat rond de taalwetgeving. Op een slinkse wijze wou de meerderheid een voorstel laten goedkeuren, waarin een verdere ondermijning van die taalwetgeving was verstopt. Dat was echter buiten het Vlaams Belang gerekend.

Een verslag van het debat vind je op http://www.hln.be/hln/nl/957/Binnenland/article/detail/2730158/2016/06/10/Bits-debat-over-naleving-taalwetgeving-in-Brussel.dhtml

Volgens CD&V’er Paul Delva zien we allemaal spoken, en zijn de cijfers van de vice-gouverneur (over de aanwervingen en benoemingen in strijd met de taalwet) volledig fout. Kortom: volgens Delva liegt de vice-gouverneur. Raar..is die vice-gouveneur dan geen partijgenoot van hem, en is die man niet de gewezen kabinetschef van ex-minister Brigitte Grouwels?

Volgens Open VLD’er René Coppens dan weer, is het debat irrelevant want de taalwet een federale bevoegdheid. Blijkbaar had de brave man niet door dat het debat niet ging over ‘de taalwet’ an sich, maar wel over de onwettige aanwervingen, en de weigering van de Brusselse regering om deze aanwervingen te vernietigen. Wel degelijk Brusselse bevoegdheid dus. Van een parlementslid zou je toch minstens mogen verwachten dat ze wéten waarvoor ze wel en niet bevoegd zijn.

Dat CD&V en Open VLD luid applaus kregen van de meest rabiate franskiljons van PS en FDF (enfin, DéFi) was alleszins heel veel zeggend!

Gemeenschapsonderwijs trekt aan alarmbel: jonge kinderen tijdens ramadan geïndoctrineerd door extremisten. Vlaams Belang vraagt ernstig onderzoek

koranschoolDe Brusselse scholen van het Gemeenschapsonderwijs krijgen dit jaar  “voor het eerst” te maken met jonge kinderen die zich streng religieus opstellen tijdens de ramadan, aldus de algemeen directeur Jacky Goris van de scholengroep.

Concreet gaat het om lagere schoolkinderen die weigeren mee te gaan naar de zwemles omdat ze geen slok water willen binnenkrijgen. Of om leerlingen uit de eerste jaren van het secundair die weigeren deel te nemen aan de muziekklas muziek en zingen als haram zou zijn; en dat bij zo’n activiteiten de duivel in het klaslokaal zou verschijnen.

Volgens algemeen directeur Jacky Goris  gaat het om fundamentalistische prietpraat waar de jongeren aan blootgesteld en door geïndoctrineerd worden “via schimmige koranschooltjes, vzw’s waarvan niemand weet wat er gepredikt wordt.” Het fenomeen doet zich in Brussel voornamelijk voor in Schaarbeek, Sint-Jans-Molenbeek en Anderlecht.

Op een moment waarop het onderwijs in Vlaanderen naar eigen zeggen inzet op deradicalisering, is dit zeer verontrustend nieuws. Het Vlaams Belang dringt er dan ook op aan dat er een diepgaand onderzoek komt naar de betreffende haatpredikers, vzw’s en koranscholen; en indien het gaat om personen of instellingen die met belastinggeld gesubsidieerd worden, de subsidies per direct worden stopgezet. Daarenboven wil de partij ook nagaan of deze problematiek zich ook stelt in andere Vlaamse steden met aanzienlijke migrantenpopulaties.

Het Vlaams Belang zal hierover in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, de Vlaamse Gemeenschapscommissie en het Vlaams Parlement de betrokken ministers en collegeleden interpelleren.

Brusselse regering tracht taalwetgeving verder uit te hollen

 

chose

Taalwetgeving op zijn Brussels

 

Morgen (vrijdag 10 juni) bespreekt en stemt het Brussels Hoofdstedelijk Parlement een ontwerp van ordonnantie dat de procedures voor het gewoon administratief toezicht moet vereenvoudigen en versnellen. Op zich is daar uiteraard absoluut niets mis mee; integendeel. De afbouw van het goedkeuringstoezicht en de inkorting van de termijnen om sneller rechtszekerheid te creëren, zijn op zich goede principes.

Maar Brussel zou Brussel niet zijn, mocht er geen addertje onder het gras zitten. Want op een slinkse wijze tracht de regering via deze weg ook de bestaande taalwetgeving verder af te bouwen. Het toezicht op de gemeenten houdt namelijk ook een controle van de naleving van de taalwetgeving in bij de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden van personeel. Taalwetten die door de 19 Brusselse gemeenten zonder enige uitzondering zeer fundamenteel met de voeten worden getreden.

En nu wil de hoofdstedelijke regering dus de gemeenten verder carte blanche geven om de taalwetten naar hartenlust te overtreden.

Het Vlaams Belang zal dan ook vol overtuiging tégen het ontwerp van ordonnantie stemmen. Ik roep alle Nederlandstalige verkozenen in het Brussels parlement uitdrukkelijk op om ook tegen te stemmen. De verdere ondermijning van de taalwetgeving en de afbouw van de rechten van Brusselse Vlamingen is totaal onaanvaardbaar. De Nederlandstalige parlementsleden die nog over een greintje zelfrespect beschikken, kunnen hier onmogelijk mee akkoord gaan!

Brussel verkocht aan de Parti Socialiste

BVDe totale uitverkoop van Brussel aan de PS en de francofonie. Dat lijkt de afgelopen maand de rode draad te zijn geweest in de politieke voorstellen die door de SP.a, Groen en Open VLD werden gelanceerd. Een uitverkoop in vier stappen.

Stap 1. Begin mei laten ministers Sven Gatz (Open VLD) en Pascal Smet (SP.a) in een dubbelinterview weten dat ze er absoluut geen graten in zien om de pariteit in de hoofdstedelijke regering op te offeren. Garanties in de uitvoerende macht voor de Brusselse Vlamingen mogen dus gerust afgeschaft worden, aldus beide excellenties.

Stap 2. In een interview op 6 mei in Le Soir lanceert Laurette Onkelinx (PS) de idee om de Vlaamse Gemeenschapscommissie af te schaffen, en te evolueren naar tweetalige lijsten voor een ‘volwaardig’ hoofdstedelijk parlement. Kortom: naar een systeem van excuus-Vlamingen op de Franstalige lijsten. Een voorstel dat direct door Groen en SP.a volmondig wordt bijgetreden. In datzelfde interview laat Onkelinx ook duidelijk verstaan dat zij in Brussel de plak zwaait, én dat ze er een lobbygroep aanvoert, samen met “des amis flamands comme Guy Vanhengel” (Open VLD) en met medewerking van parlementsleden van onder meer SP.a, Groen, maar ook CD&V.

FDF-Vlamingen

Stap 3. Eind mei was er de idee van opnieuw Gatz om voor de Brusselaars meervoudig stemrecht in te voeren. En zo dus de aanwezigheid van de Brusselse Vlamingen in het hoofdstedelijk parlement terug te schroeven door terug te gaan naar de tijd van de FDF-Vlamingen: Franstaligen die op Nederlandstalige lijsten worden verkozen, en zo dus de Vlaamse minimumvertegenwoordiging omzeilen.

Stap 4. Opnieuw Gatz. Begin juni laat hij weten dat Vlaanderen in Brussel geen eigen zorgnet moet uitbouwen, omdat er al dat van de ‘tweetalige’ GGC is. Dat de taalwetten daar zo goed als onbestaande zijn, deert hem daarbij niet.

Gestolen

De rode draad bij al de voorstellen van PS, SP.a en Open VLD is duidelijk: weg met de Vlaamse lijsten, en op naar een systeem van excuus-Vlamingen Maar ook geen VGC meer en dus geen invloed van het Vlaams Parlement in Brussel meer, en weg met de pariteit in de regering. Kortom: al wat Vlaams is weg uit Brussel.

Het Vlaams Belang kijkt angstvallig naar deze bijzonder nefaste evolutie voor Brussel en de Vlaamse aanwezigheid in Brussel; en daarom interpelleerden Dominiek Lootens en Tom Van Grieken in het Brussels en Vlaams Parlement. Maar voor de andere ‘Vlaamse’ partijen is er echter geen vuiltje aan de lucht. Kortom: Brussel kan hen –letterlijk! –gestolen worden.