Dominiek Lootens

Home » Posts tagged 'VGC'

Tag Archives: VGC

Eerste no-go zone in Molenbeek reeds in 1739

brussel1745

Brussel omstreeks 1745

Onder de titel ‘Brusselse ordonnanties en regelgeving in de 17de en 18de eeuw’ opende gisteren (8 december) in de gebouwen van de Raad van de VGC een interessante tentoonstelling. Tientallen originele stukken uit de 17de en 18de eeuw – afkomstig uit de privécollectie van een Brussels advocatenkantoor – tonen een beeld van het Brussel van toen.

Wanneer je de tentoonstelling bezoekt, vallen twee zaken op

1.Het is soms grappig om zien hoe bepaalde problemen van vandaag de dag ook toen reeds het onderwerp vormden van Brusselse regelgeving. Zo vindt de bezoeker ordonnanties over het ophalen van huisvuil, maar bijvoorbeeld ook over de taksen op het openhouden van wijnhuizen. Met de Brusselse ‘danstaks’ in het achterhoofd…

Maar evengoed is er een stuk uit 1739. Brussel inde toen accijnzen op bier dat de stad werd ingevoerd. Men stelde echter vast dat heel wat Brusselaars zich ’s avonds buiten de stadsmuren begaven om in Molenbeek bier te gaan drinken, waarop Brussel geen accijnzen kon heffen. Dat veroorzaakte in Molenbeek overlast, en de politie werd er op afgestuurd. Het kwam tot rellen, en de politie moest gaan lopen. Kortom: in 1739 was de eerste no-go zone van Molenbeek reeds een feit.

 

2. Op de ene uitzondering die de regel bevestigt na, waren al deze reglementeringen en ordonnanties opgesteld in het Nederlands of het Diets. De fabel dat Brussel reeds van in de late middeleeuwen een francofone stad zou zijn, wordt ook zo weer regelrecht naar het rijk der fabelen verwezen. De Vervoorts, Gosuins en Vanhengels van deze wereld moeten de tentoonstelling maar eens bezoeken.

En dat bezoek is trouwens gratis, van maandag tot vrijdag tot 18.00 uur in de gebouwen van de Raad van de VGC – Lombardstraat 67. In samenwerking met de Vlaamse Club voor Kunst, Wetenschap en Letteren. Zeker doen!

Taalwetgeving in Brussel: voor CD&V en co niet meer dan een vodje papier

grouwels-picque

Grouwels, even Vlaamsvoelend als PS’er Picqué

Naar aanleiding van een recent debat in de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie werd vandaag in diezelfde VGC gestemd over een motie van Vlaams Belang fractievoorzitter Dominiek Lootens, waarin er bij de Brusselse en bij de federale overheid wordt op aangedrongen om de taalwetten in Brussel na te leven. Niets meer, niets minder.

Op zich is het al erg dat men het naleven van de wet moet gaan vragen via parlementaire moties. Dat ministers en parlementairen bij aanvang van hun mandaat een eed afleggen waarin ze beloven de wetten na te leven is – zeker wanneer het de taalwetten betreft – blijkbaar enkel maar voor de schone schijn.

Dominiek Lootens riep op om vanuit de Vlaamse partijen in Brussel een motie te steunen waarin slechts gevraagd wordt de taalwetten na te leven. Maar behalve de N-VA bleek niemand in de VGC de moed te hebben deze motie ook effectief te steunen.

Dominiek Lootens: Vooral de houding van de Brusselse CD&V en “Meer Brigitte, minder Frans” Grouwels is werkelijk beneden alle peil. Zo stelde Grouwels dat de niet-naleving van de taalwetten weliswaar een zeer ernstig probleem is en blijft, maar dat gewoon een motie stemmen onvoldoende is om de Brusselse regering tot betere gedachten te bewegen. Hoe hypocriet kan men zijn? De CD&V zit al sedert mensenheugenis in de Brusselse en federale regering, en heeft daar nog nooit de problematiek van de taalwetgeving aangekaart. Zelfs in de VGC was de CD&V voortrekker om een diepgaand debat hierover van de parlementaire agenda te weren. Zelf decennialang niets doen, en dan komen verklaren dat wanneer iemand wél een initiatief neemt, het onvoldoende is. Ge moet maar durven. Of in de taal van CD&V Brussel : faut le faire!”

Voor de volledigheid ook nog even meegeven dat uiteraard ook Open VLD, Groen en SPa tegen de motie van Vlaams Belang stemden. Maar aangezien geen enkele van deze partijen in Brussel ooit ook maar één greintje bewijs heeft geleverd van enige Vlaamsvoelendheid, zal dat niemand meer verbazen.

Geen verbod op ongezond vlees van onverdoofd geslachte dieren in onze scholen. Ook Groen en N-VA weigeren voorstel te steunen

ons-gedacht-onverdoofd-slachten

Als het van o.m. Groen en N-VA afhangt zien we dit beeld de komende jaren nog meer 

Uit een rondvraag die het Vlaams Belang jaren geleden deed bij de Vlaams-Brusselse scholen bleek dat in heel wat scholen ook halalvoedsel wordt geserveerd. Zowat vijf jaar geleden serveerde trouwens reeds meer dan 10% van de Vlaamse scholen in Brussel enkel en alleen halalvlees – dus ook aan kinderen die helemaal niet islamitisch zijn.  Dat halalvoedsel is vaak afkomstig van dieren die onverdoofd werden afgeslacht.

Vooreerst zijn er natuurlijk de morele bezwaren die men kan opperen tegen deze manier van slachten, waarbij dieren nodeloos aan pijn en stress worden onderworpen. Uit een rondvraag van IPSOS bleek 88% van de inwoners in dit land tegen het onverdoofd slachten te zijn; en zelfs bij moslims is twee derde niet gekant tegen het verdoofd slachten. Maar naast de bezwaren die men kan uiten vanuit moreel oogpunt,  zijn er ook belangrijke gezondheidsproblemen bij deze manier van slachten.  Dit bleek enkele jaren geleden reeds uit de documentaire “La vérité si je mange” van de Franse zender France 5.

Overeenkomstig de wettelijke voorschriften van de EU dient de slachting plaats te vinden na de verdoving van het dier. Daarbij moet het hoofd van het dier naar beneden gericht te zijn, waarbij de slokdarm correct afgebonden moet worden. Er bestaat echter één uitzondering op deze EU-voorschriften, en dat is dus voor rituele slachtingen.

Een rapport van deskundigen, waarin de gezondheidsrisico´s in verband met rituele slachtingen werden genoemd, had onlangs al veel aandacht gekregen. Er wordt benadrukt, dat “het feit, dat men bij deze slachtmethode in feite niet in staat is de slokdarm van het dier af te binden zeer schadelijk voor de gezondheid van het slachtproduct is. De maaginhoud van het geslachte dier stroomt door de slokdarm terug en komt terecht in de anatomisch direct aangrenzende luchtpijp. Het gestreste dier ademt ondertussen sterk door en transporteert de maaginhoud, die rijk is aan allerlei kiemen, naar de longen. Daar kunnen de ziekteverwekkers gemakkelijk in het bloed terechtkomen. De doorbloeding wordt in de doodsstrijd bovendien nog bevorderd door alle belangrijke organen van bloed te voorzien, zodoende verspreidt het besmette bloed zich in het hele lichaam. Afgezien daarvan veroorzaakt de stress van de overlevingsstrijd heftige krampen, die ertoe leiden, dat het hele slachtgebied door urine en fecaliën verontreinigd wordt. Van slachthygiëne kan dus geen sprake zijn.”

In bovenvernoemde documentaire op de Franse televisie mocht ook de gerespecteerde toxicoloog Jean-Louis Thillier zijn zeg doen. Thillier is niet van de minste : hij is auteur van talrijke werken over voedselveiligheid en is tevens ook directeur of voorzitter van Euroscience Consulting. Thillier gaf over het onverdoofd slachten de volgende commentaar: “Deze toename van de besmetting van gehakt door Escherichia coli (bacteriën, die dodelijk kunnen zijn) houdt volgens mij verband met de toenemende consumptie van halal- respectievelijk koosjer vlees […], omdat dit zoveel bacteriën bevat, die voor de mens dodelijk kunnen zijn.” Ieder jaar sterven er in referentieland Frankrijk meer dan 100 kinderen aan de gevolgen van vergiftigingen door gehakt.

Zowel uit morele overwegingen (de praktijk van het onverdoofd slachten op zich) als uit gezondheidsoverwegingen is het dus onaanvaardbaar dat we in onze scholen dit soort voedsel aan onze kinderen zouden serveren.

Daarenboven zou een verbod op dit soort van voedsel in onze scholen op geen enkele wijze de godsdienstbeleving van islamitische kinderen in het gedrang brengen. Het argument van godsdienstvrijheid gaat helemaal niet op in dit debat – en is sowieso per definitie ondergeschikt aan het argument van de volksgezondheid en de gezondheid van onze schoolgaande jeugd.

Daarom diende het Vlaams Belang in de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie een motie in waarin gepleit werd om in onze scholen een verbod in te stellen op het serveren van vlees, afkomstig van onverdoofd afgeslachte dieren.

Dierenliefhebbers én mensen die inzitten met de gezondheid van onze kinderen mogen het weten:

– CD&V, Span Open VLD en Groen stemden tegen het voorstel

– N-VA was zoals steeds te laf om duidelijk standpunt in te nemen, en onthield zich

– Enkel en alleen het Vlaams Belang stemde voor het voorstel

Beleidsverklaring VGC :Brusselse Vlamingen derderangsburgers

vgcraadDe jaarlijkse beleidsverklaring van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie was dit jaar werkelijk bedroevend.Bij mijn weten heeft geen enkel voorgaand College het ooit zo bont gemaakt, en zo een wanbeleid gevoerd naar de Nederlandstaligen in deze stad toe. Nooit voorheen is de totale onwil én de totale onmacht van een VGC-college zo frappant gebleken als nu. Nooit voorheen werd de oikofobie zo in het VGC-beleid verankerd, als vandaag.

Een onwil en onmacht die al blijkt uit het nochtans zoals steeds door het College luid bejubelde onderwijsverhaal. Een College dat zich blind staart op cijfertjes maar vergeet dat heel wat Brusselse Vlamingen uit de onderwijsboot vallen omdat er nu eenmaal een manifeste onwil bestaat om voor hen een degelijke voorrangsregeling uit te werken.  Als ik lees dat het College blijft “bouwen met talent, zodat ELK kind en ELKE jongere kan genieten van kwaliteitsvol onderwijs” kan ik enkel plaatsvervangende schaamte voelen. Kwaliteitsvol onderwijs is, ondanks de torenhoge inzet en motivatie van de talloze leerkrachten, helaas niet mogelijk in een klas waar het leeuwendeel van de leerlingen nauwelijks een gebenedijd woord Nederlands begrijpt. Een nieuw logo en een N-bordje aan de gevel zullen daar geen jota aan veranderen.

Hetzelfde troosteloze verhaal ook in de zorgsector. Ook daar een “alles gaat goed” verhaal over de Brusselaar die beroep kan doen op een breed en divers Nederlandstalig aanbod. De realiteit is echter dat het in Brussel met een vergrootglas zoeken is naar pakweg een Nederlandstalige huisarts, en dat in de instellingen die tweetalig zouden moeten zijn de Nederlandstaligen niet eens in hun eigen taal kunnen geholpen worden. In de Irisziekenhuizen kan je als Tutsi, Turk of Tsjetsjeen beroep doen op tolken, maar als Vlaming, als Nederlandstalige moet je er maar Frans praten of ophoepelen. Zelfs Vlamingen van buiten het hoofdstedelijk gewest die zich naar een Irisziekenhuis begeven krijgen later op hun adres in Vlaanderen  hun factuur enkel en alleen in het Frans opgestuurd. En opnieuw moeten we de vraag stellen: wat doet de VGC hier aan? Op welke manier zet het College zich in om hier eindelijk paal en perk aan te stellen? Op welke manier verdedigt dit College de belangen van de Brusselse Vlamingen? Het antwoord is helaas opnieuw: “niet”. Men laat begaan. Een regelrechte schande!

En intussen laat de Brusselse minister-voorzitter maar ballonnetjes op  om te morrelen aan de 17 Vlaamse verkozenen van het hoofdstedelijk parlement. Op zich weinig verrassend natuurlijk, want hij heeft reeds meermaals aangegeven geen minister-president te willen zijn voor de Brusselse Vlamingen. Maar opnieuw stellen we vast dat het VGC-College er naar staat te gapen als een koe naar een trein. Er kwam geen enkele reactie vanuit het VGC- College. Blijkbaar mag, kan of wil dit College haar francofone broodheren niet tegen spreken.

Dat verklaart ook direct waarom 50 jaar na datum de taalwetten in deze stad nog steeds dag na dag, week na week verkracht worden. Wie de jaarlijkse rapporten van de Brusselse vice-gouverneur er op naslaat kan niet anders dan vaststellen dat de taalwet in Brussel nog minder is dan een vodje papier. En dat de Nederlandstaligen in de openbare dienstverlening dus nog minder zijn dan tweederangsburgers.

En ja, ook hier horen we enkel maar de oorverdovende stilte vanuit het College. Geen enkel initiatief wordt genomen om hier verandering in te brengen. Het mag niet en het zal niet, zo beslissen de francofone broodheren in dit gewest.

Meer nog: over die schandalige taalwetsovertredingen mag niet eens gesproken worden. Ik herinner maar aan de discussienota die ik vorig jaar hierover indiende. Van partijen als Groen en SPa verwacht ik niets anders natuurlijk, hun eerste Vlaamse reflex moet nog altijd geboren worden. Maar ook Open VLD en de CD&V buigen slaafs voor de francofone dictaten, en verbieden ieder debat over de taalwetgeving. En wanneer de laatste Brusselse Vlaming binnenkort het licht uit doet zullen ze het uiteraard “nicht gewusst haben”.

Vooral de houding van Open VLD is in dit hele dossier meer dan bedenkelijk te noemen. Zo wijdde het tijdschrift “De Brusselse Post” afgelopen zomer een nummer aan 50 jaar taalwetgeving, waarbij iedere partij uit de VGC naar haar standpunten werd gevraagd. Nu is het zo dat De Brusselse Post een blad is van het Vlaams Komitee voor Brussel – een vzw die vrijwillig doet wat eigenlijk de verdomde plicht is van dit College: namelijk het verdedigen van de belangen van de Brusselse Vlamingen. Maar wat durft de Open VLD zeggen: dat die Vlamingen die die onverkort blijven ijveren voor niets meer dan het toepassen van de wet mensen met een enge geest zijn.

En dat vat inderdaad de politieke visie van heel dit College samen: wie op wil komen voor de belangen van de Brusselse Vlamingen, wie nog maar durft te ijveren voor de correcte toepassing van de wet, is een extremist en moet monddood gemaakt worden.

Men zegt wel eens dat een volk de leiders heeft die het verdient. Maar ik weiger te geloven dat een volk ooit zo slecht kan zijn dat het moet opgescheept worden met het huidige VGC-college.

 

http://www.bruzz.be/nl/video/reacties-vgc-beleidsverklaring-mist-visie

Ramadan: jonge leerlingen in Vlaams-Brusselse scholen radicaliseren

DL3Afgelopen vrijdag interpelleerde ik in de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie Collegevoorzitter Vanhengel over het feit dat heel wat jonge leerlingen in onze Vlaams-Brusselse scholen fanatiek meedoen met de ramadan. Hier mijn tussenkomst en de antwoorden van Collegevoorzitter Vanhengel :

De heer Dominiek Lootens-Stael: De Brusselse scholen van het Gemeenschapsonderwijs krijgen dit jaar “voor het eerst” te maken met jonge kinderen die zich streng religieus opstellen tijdens de ramadan, aldus de algemeen directeur van de scholengroep. Ik had daarover ook een actualiteitsvraag met een andere invalshoek in de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie ingediend. Commissievoorzitter Charles Picqué had die eerst geweigerd. Hij zei dat dit allemaal niet nieuw is. Hij lachte daar zelfs een beetje mee, alsof het gaat om een algemeen bekend gegeven. Voor voorzitter Charles Picqué bestaat dat probleem blijkbaar al heel lang. De heer Van Damme had er ook nog nooit over gehoord. In het Nederlandstalig gemeenschapsonderwijs had men er tot dit jaar blijkbaar ook nog niet mee te maken gehad. Dit is voor hen blijkbaar nieuw.

Concreet gaat het om lagere schoolkinderen die weigeren mee te gaan naar de zwemles omdat ze geen slok water willen binnenkrijgen of om leerlingen uit de eerste jaren van het secundair die weigeren deel te nemen aan de muziekklas omdat ze muziek en zingen als haram beschouwen. “Ze zijn bang dat de duivel in de klas zou verschijnen”, lezen we in de krant De Standaard. Die verklaring gaf ook de directeur van het Go!

Volgens de algemeen directeur van het Go!, op VRT in ‘De Ochtend’ van 10 juni 2016, gaat het om fundamentalistische prietpraat waar de jongeren aan blootgesteld en door geïndoctrineerd worden, niet zozeer via de ouders maar “via schimmige koranschooltjes, vzw’s waarvan niemand weet wat er gepredikt wordt.” Het fenomeen doet zich voornamelijk voor in Schaarbeek, Sint-Jans-Molenbeek en Anderlecht. Daarnaast stellen de scholen vast dat zeker bij kinderen van tien tot elf jaar die meedoen aan de ramadan nefast blijkt te zijn voor hun schoolresultaten tijdens de examenperiode. Daarover verscheen op 28 juni 2016 nog een stuk in La Capitale. De Franstalige scholen die met dat probleem werden geconfronteerd, gingen daarover de dialoog aan met de leerlingen zelf.

Gaan de scholen in op de verzuchtingen van die leerlingen of moeten ze de lessen toch volgen?Op welke manier proberen de scholen daarover in dialoog te treden met de ouders van de kinderen? Gaan ze net zoals de Franstalige scholen daarover de dialoog aan met de leerlingen zelf? Intussen weten we deels om welke koranscholen het zou gaan: El Amal, Al Najah en Al Khariah. Op welke manier waarschuwt de school voor die personen en instellingen?Worden de dossiers doorgegeven aan de bevoegde instanties die instaan voor de strijd tegen de radicalisering? Op welke manier wordt het aanspreekpunt deradicalisering voor het onderwijs daarbij betrokken?

Collegevoorzitter Guy Vanhengel: Ik heb de Scholengroep Brussel gecontacteerd om meer duiding te krijgen bij deze situatie.

Tijdens de eerste dagen van de ramadan werd de algemeen directeur van Scholengroep Brussel van het GO!, de heer Jacky Goris, op de hoogte gebracht van enkele opmerkelijke zaken met betrekking tot de veel striktere en meer radicale invulling van de ramadan tegenover de jaren voorheen. Het ging daarbij initieel over enkele voorvallen in 2 basisscholen en 1 atheneum in de gemeenten Anderlecht, Sint-Jans-Molenbeek en Schaarbeek.

Een basisschool berichtte dat er een kind in het 2de leerjaar was flauwgevallen, wat zijn verklaring vond in het strenge vasten. Een tweede voorval betrof een leerling uit het 6de leerjaar die verklaarde dat zijn vader imam was – hetgeen gefantaseerd bleek te zijn – en die bij andere kinderen opdringerig ging pleiten voor het respecteren van en het actief deelnemen aan de ramadan. Een ander voorval ging over 7 leerlingen van het 1ste jaar in een atheneum, die weigerden aan de muziekles deel te nemen omdat dat verboden zou zijn. Er waren ook leerlingen die niet wilden gaan zwemmen uit schrik een slok water in de mond en de maag te krijgen.

 

Voor alle duidelijkheid: Het ging dus niet over een veelheid aan voorvallen, maar vooral over een evolutie die de algemeen directeur ernstige zorgen baarde. Hij reageerde omwille van de radicalisering in de strenge – en zelfs overdreven en niet-correcte – toepassing van de vastenprincipes en de steeds jongere leeftijd van de betrokkenen. De heer Goris wilde liever niet wachten om aan de alarmbel te trekken, omdat dergelijke trend beter meteen in de kiem wordt gesmoord opdat het fenomeen zich niet verder zou uitbreiden. Eén enkel kind dat op deze manier gevaar loopt, is op zich al voldoende om in actie te komen. Dat is zijn en ook mijn overtuiging.

De Scholengroep Brussel meldt dat aan dit soort voorvallen meteen gevolg wordt gegeven. Ouders worden ter verantwoording geroepen en om tekst en uitleg gevraagd. In het geval van de atheneumstudenten werd er een bemiddelaar ingeschakeld. In geen geval wordt aan deze excessen toegegeven of worden de lessen aangepast. De studenten blijven verplicht om deel te nemen aan de muzieklessen, zo niet is puntenverlies het gevolg. Het programma dient te worden gevolgd en hiervan wordt niet afgeweken.

De contacten met de inspecteurs islamlessen zijn steeds goed verlopen en, na de verplichte infosessies over de islam die de Scholengroep voor zijn 2.700-koppig personeel organiseerde, zijn deze contacten zelfs nog intensiever geworden. Via de Moslimexecutieve werd ook een beroep gedaan op rechtsgeleerden om bepaalde absurde interpretaties inzake de vasten te ontkrachten. Deze richtlijnen werden aan de directies en leerkrachten bezorgd om hen in staat te stellen op een respectvolle, doch vastberaden en gefundeerde wijze leerlingen van antwoord te kunnen dienen. Vandaag stelt de Scholengroep met tevredenheid vast dat zowel de inspectie van het islamonderricht als de Moslimexecutieve gereageerd hebben op haar noodkreet.

 

Uit gesprekken met de betrokken ouders bleek dat zij de radicale houding van hun kinderen niet goedkeuren. De algemeen directeur van de Scholengroep verontrust zich ook zeer over de rol van het internet en van schimmige vzw’s die lessen Arabisch aanbieden, maar vaak ook dubieuze koranschooltjes verhullen. Het feit dat de ouders op deze manier de controle over hun kinderen verliezen, is niet zonder gevaar. In het verleden is al gebleken dat ronselaars net op deze subtiele wijze kinderen proberen los te weken van de ouderlijke invloedsfeer, met de bedoeling om te radicaliseren en te rekruteren. De Moslimexecutieve geeft aan geen invloed te hebben of controle te kunnen uitoefenen op deze dubieuze vzw’s.

Het was nooit de bedoeling om deze voorvallen uit te vergroten, maar wel om de alarmbel te luiden. Jonge kinderen die de ramadan volgen, is op zich een nieuw noch een typisch Brussels fenomeen. Vaak ging en gaat het ook om jonge kinderen die willen aansluiten bij het sociale gebeuren, los van extreme achtergronden.

Laat er vooral geen onduidelijkheid over bestaan: de Brusselse scholen zijn al lang met deze problematiek bezig. Heel wat directies en schoolbesturen krijgen steun vanwege de inspectie islamitische godsdienst. Zij trekken mee aan de kar om ouders en hun kinderen duidelijk te maken dat dit niet kan. Het is belangrijk dat mensen die zelf deze levensbeschouwing aanhangen, naar de scholen kunnen trekken om leerlingen met hun houding te confronteren. De ramadan mag nooit een impact hebben op de schoolcarrière van de kinderen.

Daarnaast is een participatief schoolklimaat, waarbij ouders en leerlingen betrokken worden, niet onbelangrijk. Zaken moeten bespreekbaar zijn en in dialoog treden is uitermate belangrijk.

Ook preventieve acties zijn aangewezen, waarbij scholen zeggen wat kan en wat niet kan. Dit moet natuurlijk op een constructieve wijze gebeuren, waarbij het belang van de leerlingen voorop staat, namelijk kinderen optimaal laten deelnemen aan de lessen zodat ze alle kansen hebben op een succesvolle schoolloopbaan en een succesvolle toekomst.

De heer Dominiek Lootens-Stael (Vlaams Belang): Ik stel met tevredenheid vast dat de collegevoorzitter de zaken blijkbaar wel ernstig neemt, in tegenstelling tot sommige raadsleden hier die het nuttig vinden om te schieten op de boodschapper en die vinden dat het wel voorbij zal gaan indien we erover zwijgen.

Die raadsleden zeggen dan dat het maar over een paar gevallen gaat, maar ik hoor wel dat het toch over 3 gemeenten en meerdere scholen gaat. Er doet zich bijgevolg een tendens voor die vroeger in de Vlaamse scholen niet bestond. Door de voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement – toch iemand van de politieke familie van de heer Jef Van Damme – wordt dit echter afgedaan als “oud nieuws”.

Dit fenomeen, dat al langer bestaat, begint nu ook ingang te vinden in de Vlaamse scholen. Ik vind het dan ook nuttig dat men onmiddellijk alarm slaat. Liever zo’n reactie dan alles op zijn beloop te laten, wachten tot er ergens een bom ontploft en nadien verklaren “dat men het niet heeft zien aankomen”.

Ook de bommenleggers van 22 maart 2016 zijn trouwens naar Vlaamse scholen gegaan. Sommigen beseften dat er iets aan de hand was, maar hebben ervoor gekozen om te zwijgen.

De heer Fouad Ahidar (sp.a): We zijn allen slachtoffers van deze situatie. Men moet wel een beetje respect aan de dag leggen en stoppen met een link te leggen tussen de ramadan en het doen ontploffen van bommen. We praten hier over een probleem met de ramadan, niet over bommen.

De heer Dominiek Lootens-Stael (Vlaams Belang): Ik heb de collegevoorzitter wel horen zeggen dat ronselaars gebruik maken van schimmige vzw’s, waarnaar ook de directeur van het GO! verwees. In een aantal gevallen komt het opruien blijkbaar vanuit die vzw’s. Ik heb hem ook horen spreken over radicalisering. In tegenstelling tot mevrouw Zamouri heeft haar partijgenoot blijkbaar wel inzicht in het functioneren van dat soort zaken. Ikzelf ben een van de weinigen die dat hier op deze banken expliciet durft te zeggen.

Het klopt misschien dat het GO! en de Moslimexecutieve geen grip hebben op al die schimmige vzw’s, maar dan is het wellicht een taak voor de Staatsveiligheid om hen door te lichten. Het is ook de taak van de diverse overheden om na te gaan welke initiatieven nog mogen worden gesubsidieerd.

Ik hoop dat de collegevoorzitter de zaak met de nodige ernst blijft opvolgen, in plaats van ze, zoals anderen, te minimaliseren of onder de mat te vegen. 

  • Het incident is gesloten.

De taalwetnota die niet besproken mocht worden…

wegomDat de taalwet in Brussel niet meer is dan een vodje papier, dat is niet nieuw. Een tijdje geleden diende ik daarom in de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie een discussienota in over deze problematiek.

Helaas, zowat alle andere Vlaamse (nou ja..) partijen weigerden nog maar de bespreking er van. Schrik voor de waarheid te moeten aanhoren?

Want ja, de waarheid moet wel pijnlijk zijn voor de partijen die hier al zo lang aan de macht zijn. Oordeelt U zelf maar! Ik zet hier voor u graag de volledige tekst van de nota online.

 

DISCUSSIENOTA

Na 50 jaar : eindelijk naar een correcte toepassing van de taalwetgeving in Brussel ?

Ingediend door de heer Dominiek Lootens – Fractievoorzitter VLAAMS BELANG

 

  1. Een korte historische inleiding

Eén van de eerste maatregelen die de jonge Belgische staat nam, was de afschaffing van het Nederlands als bestuurstaal (16 november 1830). De openbare eentaligheid van het land leidde tot een sterke taaldruk en tweespalt in Brussel. De stad was dan wel grotendeels Nederlandstalig,  het onderwijs, het bestuur, het culturele leven werd  Franstalig.

De Brusselse gemeenten kenden in 1866 een Franstalige minderheid van ongeveer een vijfde van de bevolking[1]. De Franse auteur Baudelaire verklaarde in datzelfde jaar over Brussel en de Brusselaars trouwens: “In Brussel kent men geen Frans, niemand kan het, maar ze doen alsof ze geen Vlaams kennen: dat getuigt van goede smaak. Het bewijs dat ze het wel degelijk kennen, is dat ze hun dienstpersoneel in het Vlaams afblaffen.”[2]

 

Het Nederlands was dus nog steeds de moedertaal van de meerderheid van de Brusselaars, maar het onderwijssysteem was volledig Franstalig. Tegen 1914, bij de invoering van leerplicht, was er geen enkele Vlaamse klas meer over in Brussel-stad.[3] In de 13 gemeenten van de agglomeratie waren er in 1916 vier keer meer Franse dan Vlaamse klassen, hoewel de Franstaligen nog geen derde van de bevolking uitmaakten.[4]

 

In de late 19e eeuw won – door de groeiende ontevredenheid over het constante achteruit stellen van het Nederlands – de Vlaamse Beweging verder aan kracht.  De Vlaamse Beweging ijverde aanvankelijk voor de evenwaardigheid van beide landstalen en de erkenning van het Nederlands in Vlaanderen; maar deze idee werd door de Franstaligen verworpen: zij eisten een op het territorialiteitsbeginsel steunend eentalig Frans Wallonië, maar wel een op het personaliteitsprincipe steunend tweetalig Vlaanderen; en een zo groot mogelijke taalvrijheid in Brusselse agglomeratie, en dus het vrijwaren van de feitelijke (bestuurlijke) hegemonie van het Frans in de stad.[5]  De Franstaligen vreesden voornamelijk om bij een algemene tweetaligheid van het centrale bestuur Nederlands te moeten leren om banen bij de overheid te kunnen krijgen. Nil novi sub sole !

 

Pas na de Franse nederlaag in de Frans-Pruisische Oorlog in 1870 — die een gevoelige slag had gegeven aan het Franse prestige — werden de eerste wetten ter bescherming van het Nederlands aangenomen. Maar de Brusselse gemeenten werden uitgesloten van de vernederlandsing van het lokale bestuur. In 1873 werd de wet-Coremans (de eerste taalwet) goedgekeurd, die aan Nederlandstaligen onder meer het recht gaf in het Nederlands terecht te staan. Deze strafwet betrof enkel de Vlaamse provincies Limburg, Antwerpen, West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen en het arrondissement Leuven, en dus niét het arrondissement Brussel. De wet-De Laet (de tweede taalwet) uit 1878 stelde dat in de Vlaamse provincies en het arrondissement Leuven alle communicatie met het publiek in het Nederlands moest plaatsvinden, ook al bleef het Frans toegelaten als de particulier daarom vroeg (een soort van taalfaciliteiten zeg maar). Maar ook deze wet gold niet voor Brussel en de eerste acht randgemeenten.

 

Het flamingantisme, dat door de wantoestanden in onder meer het Belgische leger tijdens WO I een enorme boost had gekregen, begon na diezelfde Wereldoorlog  te ijveren voor de eentaligheid van Vlaanderen – net zoals Wallonië eentalig was – en tweetaligheid van de centrale administratie en van alle besturen in de Brusselse agglomeratie. In de jaren 1920 werd door het overwegend christendemocratische noorden en het socialistische zuiden een compromis bereikt dat neerkwam op een eerste officiële bevestiging van het territorialiteitsbeginsel, en bijgevolg van het bestaan van een taalgrens. België werd opgedeeld in drie taalgebieden: een eentalig Nederlands gebied in het noorden (Vlaanderen), een eentalig Frans gebied in het zuiden (Wallonië) en een tweetalig deel (Brussel), waar de meerderheid van de bevolking nog steeds Nederlandstalig was. Die officiële tweetaligheid van Brussel was echter zeer relatief. De gemeenten in de Brusselse agglomeratie mochten zelf hun interne bestuurstaal vrij kiezen.  Het hoeft weinig betoog dat op één gemeente na (Sint-Stevens Woluwe, dat voor korte tijd tot het grondgebied van Brussel behoorde) iedere Brusselse gemeente voor het Frans koos.

 

In 1900 oversteeg in Brussel-stad het percentage eentalig Franstaligen door de aangroei van het aandeel tweetaligen voor het eerst het percentage eentalige Nederlandstaligen.[6] Tussen 1880 en 1890 steeg het aantal tweetaligen in Brussel van 30 naar 50 procent — grotendeels als gevolg van de “transmutatieklassen” — en daalde dat van de mensen die enkel Nederlands spraken van 36 procent in 1880 tot 16 procent in 1910,[7] terwijl het aantal tweetaligen constant bleef op 50 procent.

 

Naast Brussel-stad verfransten de gemeenten Elsene, Sint-Gillis, Etterbeek, Vorst, Watermaal-Bosvoorde en Sint-Joost-ten-Node het snelst. In Elsene, reeds in 1846 voor 45% Franstalig, slonk het aandeel eentalig Nederlandstaligen van 53,6% tot 3%, en bedroeg het aandeel eentalig Franstaligen in 1947 reeds 60%. Waar Sint-Gillis in 1846 nog voor 83% Nederlandstalig was, was dit honderd jaar later geëvolueerd tot voor de helft eentalig Frans met 39% tweetaligen. Etterbeek ging eveneens van een 97% eentalig Nederlands dorp over naar een stadsdeel waar bijna de helft enkel het Frans machtig was. Hetzelfde gold voor Vorst en Watermaal-Bosvoorde, waar de ongeveer volledig Nederlandstalige bevolking evolueerde naar ongeveer evenveel Franstaligen als tweetaligen, waardoor de eentalige Vlamingen een kleine minderheid werden, respectievelijk 5,7 en 6,9%. Terwijl er in Sint-Joost-ten-Node in 1846 nog evenveel eentalig Nederlandstaligen als Franstaligen waren, waren er in 1947 nog maar 6% eentalige Vlamingen tegenover 40% eentalige Franstaligen.

In 1962 wordt dan de taalgrens in België definitief vastgelegd.  Brussel werd definitief beperkt tot de 19 gemeenten en werd een tweetalig eiland binnen het eentalige Vlaanderen.

De verplichte tweetaligheid van Brussel en de eentaligheid van de Rand stootten echter al snel op Franstalig ongenoegen. Rabiate francofone partijen als het FDDF verzetten zich tegen de tweetaligheid van Brussel en in het bijzonder tegen de verplichte individuele tweetaligheid van de ambtenaren.

 

De gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken vormen één van de belangrijkste onderdelen van de taalwetgeving in België. In feite is de taalwet een samenvoeging van de wet van 28 juni 1932 op het gebruik van de talen in bestuurszaken; delen van de wet van 8 november 1962 tot wijziging van provincie-, arrondissements- en gemeentegrenzen en tot wijziging van de wet van 28 juni 1932 op het gebruik van de talen in bestuurszaken en van de wet van 14 juli 1932 houdende taalregeling in het lager en in het middelbaar onderwijs; en delen van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken.

 

De taalwet regelt het gebruik van talen in bestuurszaken. Dit geldt voor alle openbare overheden. De wet schrijft voor waar welke landstaal gebruikt moet worden: Nederlands, Frans of Duits. De wet regelt daarbij zowel het taalgebruik van ambtelijke diensten intern en onderling als het taalgebruik met de burger. De centrale diensten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn tweetalig en moeten zich aanpassen, uiteraard aan de taal van hun burgers maar ook aan de taal van de lokale besturen, al naargelang. Zo moet er officieel voldoende personeel zijn om beide taalgroepen te kunnen bedienen. Die bepaling trachtte men te omzeilen via het zogenaamde taalhoffelijkheidsakkoord, dat in de praktijk echter meer een taalwetovertredingsakkoord was. De Raad van State schorste dat akkoord dan ook in 2003[8] en nogmaals in 2005[9] wegens ongrondwettelijk.

Desalniettemin bleven en blijven de diverse overheden in Brussel de bestaande taalwetgeving, ook 50 jaar na datum, nog steeds feestelijk aan de laars lappen, zonder dat daar vanuit Vlaamse hoek op een overtuigende en efficiënte wijze tegen wordt geprotesteerd.

De tweetaligheid van het personeel

Elk jaar brengt de vicegouverneur van Brussel-Hoofdstad een verslag uit over de toepassing van de taalwetgeving in de Brusselse plaatselijke besturen. Jaar na jaar dienen we uit dit verslag te concluderen dat de taalwetgeving in Brussel helaas dode letter blijft.  Het jongste verslag handelt over het jaar 2014.[10] In hetgeen hieronder volgt geven we de voornaamste resultaten uit dit jaarverslag weer.

 

Wetgevende bepalingen[11]: met uitzondering van het vak- en werkliedenpersoneel dat niet in contact komt met het publiek moet iedereen die in dienst treedt van een Brussels plaatselijk bestuur eerst met succes een taalexamen bij Selor hebben afgelegd over zijn elementaire of voldoende kennis van de tweede taal.[12] De vaste rechtspraak van de Raad van State en van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht stelt dat het attest over de kennis van de tweede taal bij Selor behaald dient te worden voor de benoeming en dat dit geldt voor “elke inbreng van personeel, zowel voor een tijdelijke, een voorlopige of een andere niet vaste benoeming, in stage of in vast verband[13], kortom voor alle personeelsleden, ongeacht hun statuut.

 

De vicegouverneur is belast met de controle op de naleving van deze bepalingen en moet aanstellingen die daarmee strijdig zijn schorsen (art. 65 SWT). Om deze controle mogelijk te maken moeten de Brusselse plaatselijke besturen alle besluiten die betrekking hebben op benoemingen of bevorderingen naar de vicegouverneur doorsturen (art. 62, § 2  SWT). Door de vicegouverneur geschorste besluiten kunnen vervolgens door de gemeenten worden ingetrokken. Gebeurt dat niet, dan moeten deze besluiten worden vernietigd door de voogdijoverheid over de plaatselijke besturen. Voor de Brusselse gemeenten is dat de minister van de Brusselse regering belast met de voogdij over de gemeenten; voor de OCMW’s zijn dat de twee collegeleden van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie belast met de voogdij over de Brusselse OCMW’s. Volgens de rechtspraak van de Raad van State is deze vernietigingsbevoegdheid niet facultatief, maar verplichtend en is “een abdicatie [hiervan door de toezichthoudende overheid] wederrechtelijk”.[14] Worden de door de vicegouverneur geschorste dossiers evenwel niet vernietigd door de toezichthoudende overheid binnen de daartoe voorziene termijn, dan heeft dit tot gevolg dat de betrokken aangeworven personeelsleden, hoewel wederrechtelijk in dienst, verder ongestoord in dienst kunnen blijven.

 

Aanvankelijk gold het toezicht van de vicegouverneur ook de Brusselse lokale politie en de OCMW-ziekenhuizen. Sinds de invoering van de meergemeentepolitiezones vanaf 1 januari 2001 en sinds de oprichting van de IRIS-structuur voor de Brusselse OCMW-ziekenhuizen sturen deze besturen hun benoemingsdossiers evenwel niet meer door naar de vicegouverneur onder het mom dat zij daartoe krachtens hun nieuwe structuur niet meer verplicht zouden zijn. Hoewel zij onderhevig blijven aan de bepaling van de taalwetgeving, ontsnappen zij sindsdien aan elke controle vanwege de vicegouverneur en dus aan elke controle wat de toepassing van de taalwetgeving betreft. Daardoor heeft niemand nog zicht of en in hoeverre de bepalingen van de taalwet in bestuurszaken nog door deze besturen worden toegepast.

 

  1. De gemeenten

 

  1. Globaal beeld

 

  1. Schorsingen door de vicegouverneur

 

Totalen 2014. De vicegouverneur kreeg in totaal 1247 dossiers binnen.[15] Hiervan waren er 487 legaal (in orde met de taalvoorschriften, de betrokkenen beschikten dus over het vereiste taalattest) en niet minder dan 760 illegaal, dus niet in orde met de taalvoorschriften. 60,9% van alle dossiers was dus niet in orde met de taalvoorschriften. Toch schorste de vicegouverneur slechts 520 van de 760 illegale aanstellingen. Dat is 41,7% van het totaal aantal dossiers. Tegen de wet in liet de vicegouverneur 242 dossiers (19,4%) passeren voor “tewerkstellingen van zeer korte duur om de continuïteit van de dienst te verzekeren”.[16]

 

Totalen in historisch perspectief. In historisch perspectief betekent dit dat het aantal illegale benoemingen ongeveer op dezelfde hoogte als de twee voorgaande jaren blijft (tabel 1).

 

Tabel 1: percentage illegale benoemingen wegens gebrek aan kennis van de tweede taal in de Brusselse gemeenten 1995-2014[17]

 

Jaar                 % illegale benoemingen

 

1995                27%

1996                22%

1997                21,5%

1998                26%

1999                31,5%

2000                33%

2001                49,5%

2002                58%

2003                59%

2004                60%

2005                61,5%

2006                61,5%

2007                64%

2008                63%

2009                70%

2010                69,3%

2011                69,1%

2012                58,1%

2013                60,6%

2014                60,9%

 

Totalen 2014 per taalgroep. Men kan de gegevens ook opsplitsen per taalgroep. Voor de Nederlandstaligen was 43% van de aanstellingen illegaal, voor de Franstaligen 64%. Het aantal illegale benoemingen ligt voor wat de Franstalige ambtenaren betreft dus een flink stuk hoger dan bij de Nederlandstalige ambtenaren. Bovendien is de impact daarvan op de dienstverlening veel groter omdat het contingent Franstalige ambtenaren veel groter is dan het contingent Nederlandstalige ambtenaren.

 

Totalen 2014 volgens statuut. Voor wat de situatie per statuut betreft ziet het beeld er als volgt uit :

 

Voor de statutairen zijn 367 personeelsleden legaal benoemd (68 N en 299 F), maar 36 (of 8,9%) personeelsleden illegaal (1 N en 35 F). Het aantal illegale benoemingen blijft voor de statutairen voorlopig dus beperkt tot iets minder dan 1 op 10. Toch is ook hier reden tot ongerustheid. Het is pas heel recent dat op statutair vlak op ruimere schaal (Franstalige) illegale benoemingen worden verricht. De vicegouverneur stelde hierover in zijn jaarverslag 2011: “Wel zien we dat in 2011 het aantal statutaire aanstellingen dat bij gebrek aan taalbrevet moest worden geschorst, een veel hoger aantal (43) en percentage (12%) bereikte dan in de vorige jaren. In 2010 dienden slechts 23 (7%) van de statutaire aanstellingen geschorst te worden en in 2009 slechts 8 (2,4%).[18] In zijn besluiten stelde hij voor 2011 dan ook: “De belangrijkste negatieve evolutie is de toename van het aantal beslissingen inzake statutaire personeelsleden dat niet conform de bestuurstaalwetgeving is.”[19] Ook in 2014 blijft deze trend dus aanwezig, zij het op een iets lager niveau. De Franstalige politici beweren al decennia, tegen de taalwet en de rechtspraak in, dat contractuelen niet onderworpen zouden zijn aan de taalwet en overtreden daar dan ook al lang op grote schaal de taalwet. De laatste jaren laten de Franstaligen de maskers volledig vallen en wordt voortaan ook op het vlak van de vast benoemden de taalwet ongegeneerd geschonden.

 

Voor wat de contractuelen betreft, krijgen we het omgekeerde beeld en is de situatie, zoals al vele jaren, dramatisch. Slechts 120 (14,2%) van de 844 aanstellingen zijn legaal. Anders gesteld: bijna 9 van de 10 contractuele aanstellingen zijn illegaal. Bij de Nederlandstaligen is ‘nog’ 27,3% van de contractuele aanstellingen legaal; bij de Franstaligen echter nauwelijks 12,5%.

 

  1. Intrekking van beslissingen

 

Wanneer de vicegouverneur een beslissing van een gemeente wegens niet-conformiteit met de taalwet schorst, kan deze gemeente deze beslissing intrekken. Dat gebeurt echter bijna nooit. Van de 518 geschorste dossiers werden er door de gemeenten 2 ingetrokken. Dat is 0,4%.[20] In de praktijk kan dus worden gesteld dat bijna geen enkel besluit omtrent illegale aanstellingen door de gemeenten wordt ingetrokken. De gemeenten beschouwen het dus als de normaalste zaak dat zij de taalwet kunnen en mogen overtreden.

 

  1. Vernietigingen door de Brusselse minister bevoegd voor de plaatselijke besturen

 

Totalen 2014. Vervolgens is het aan de voogdijoverheid om deze beslissingen te vernietigen. Zoals eerder gesteld is dit een wettelijke verplichting voor de voogdij en geen keuzeoptie. Van geen enkele door de vicegouverneur geschorste beslissing, werd hem meegedeeld dat zij door de voogdijoverheid werd vernietigd.[21] De vicegouverneur voegt er wel aan toe dat de voogdijoverheid hem niet altijd in kennis stelt van dossiers die door haar worden vernietigd. Desalniettemin kan worden besloten dat de voogdijoverheid hier totaal in gebreke blijft en een van de hoofdverantwoordelijken is voor de totale uitholling van de toepassing van de taalwetgeving door de Brusselse plaatselijke besturen.

 

Totalen in historisch perspectief. Zoals onder meer uit onderstaande tabel blijkt, is het een historisch gegeven dat de voogdijoverheid zo goed als geen enkel benoemingsdossier dat in strijd is met de taalwet vernietigt.

 

Tabel 2. Percentage door de Brusselse minister bevoegd voor plaatselijke besturen vernietigde besluiten van gemeenten die door de vicegouverneur waren geschorst 2008-2014[22]

 

2008                0%

2009                0%

2010                0%

2011                0%

2012                0%

2013                ?

2014                0%

 

  1. De afzonderlijke gemeenten

 

Het beeld per gemeente is erg variërend, zoals tabellen 3 en 4 aantonen.

 

Tabel 3. Benoemingen in de afzonderlijke Brusselse gemeenten in 2014, aantal dossiers en percentage illegale benoemingen

 

Gemeente                              Aantal dossiers           percent illegaal

 

Anderlecht                             103                             54,4%

Brussel                                               281                             53,0%

Elsene                                     93                               61,3%

Etterbeek                               108                             63,9%

Evere                                      34                               64,7%

Ganshoren                              2                                 100,0%

Jette                                       66                               74,2%

Koekelberg                             22                               54,5%

Oudergem                              26                               65,4%

Schaarbeek                            80                               57,5%

Sint-Agatha-Berchem            6                                 66,7%

Sint-Gillis                                103                             68,0%

Sint-Jans-Molenbeek              12                               75,0%

Sint-Joost-ten-Node                50                               74,0%

Sint-Lambrechts-Woluwe      48                               52,1%

Sint-Pieters-Woluwe              30                               63,3%

Ukkel                                      91                               45,7%

Vorst                                       90                               87,8%

Watermaal-Bosvoorde           2                                 50,0%

 

 

Tabel 4. Procentueel aantal illegale benoemingen in de afzonderlijke Brusselse gemeenten in 2014, gegroepeerd volgens aantal gemeenten per schijf van 10%

 

% illegale                    Aantal

benoemingen             gemeenten

 

0-10%                         0

10,1-20%                    0

20,1-30%                    0

30,1-40%                    0

40,1-50%                    2

50,1-60%                    5

60,1-70%                    7

70,1-80%                    3

80,1-90%                    1

90,1-100%                  1

 

Alle Brusselse gemeenten komen zwaar tekort wat het naleven van de taalwet betreft. Maar toch zijn er belangrijke verschillen te noteren. In slechts 2 van de 19 gemeenten is de helft of meer dan de helft van de aanstellingen in overeenstemming met de taalwet; in de 17 andere gemeenten is meer dan de helft van de aanstellingen illegaal. Binnen deze groep is de omvang van het aantal illegale aanstellingen nog vrij uiteenlopend, met als recordhouder Ganshoren, waar 100% van alle aanstellingen in 2014 illegaal was. Omwille van het kleine absolute aantal betrekkingen waarover het in dit geval gaat, is dit beeld voor deze gemeente evenwel wellicht niet zo representatief. Deze vrij uiteenlopende resultaten tonen in ieder geval aan dat sommige gemeenten er wel degelijk gedeeltelijk in slagen om tweetalige personeelsleden aan te werven. Het argument van de Franstaligen dat er geen tweetaligen te vinden zijn en dat zij dus genoodzaakt zijn om voor de continuïteit van de dienst eentaligen aan te werven, wordt hiermee toch wel voor een stuk ontkracht. Bij veruit de meeste gemeenten moet in ieder geval een absolute onwil worden vastgesteld om inspanningen te doen om tweetaligen aan te werven. Het op dit vlak onbestaande toezicht van de voogdijoverheid is daar zonder twijfel niet vreemd aan.

 

  1. De OCMW’s

 

  1. Globaal beeld

 

  1. Schorsingen door de vicegouverneur

 

Totalen 2014. In 2014 kwamen er 1599 dossiers van aanstellingen door de OCMW’s binnen bij de vicegouverneur. Daarvan waren er slechts 222 in overeenstemming met de taalwet en niet minder dan 1377 was illegaal. Dat betekent dat 86,1% van alle dossiers illegaal was. Toch schorste de vicegouverneur slechts 574 van de 1377 illegale dossiers, dat is zo’n 35,9% van alle dossiers, net iets minder dan voor de gemeenten. Tegen de wet in liet hij niet minder dan 803 illegale dossiers (50,2%) ongemoeid voor “tewerkstellingen van zeer korte duur om de continuïteit van de dienst te verzekeren”.

 

Totalen in historisch perspectief.  In historisch perspectief (tabel 5) blijkt dat na een licht dalende trend van 2008 tot 2012, er terug een opwaartse beweging is van het aantal illegale aanstellingen in de Brusselse OCMW’s, en in 2014 opnieuw piekt na de historische records die in de jaren 2004-2008 werden geregistreerd.  Het aantal illegale aanstellingen blijft absoluut onaanvaardbaar hoog.

 

Tabel 5: percentage illegale aanstellingen in de Brusselse OCMW’s 1995-2012[23]

 

Jaar                 % illegale aanstellingen

 

1995                36%

1996                50%

1997                44%

1998                73%

1999                75%

2000                69%

2001                82%

2002                81%

2003                82,50%

2004                88%

2005                90%

2006                91%

2007                87%

2008                91%

2009                86%

2010                86%

2011                85%

2012                80%

2013                83%

2014                86%

 

Totalen 2014 per taalgroep. Net zoals voor de gemeenten noteren we hier vergelijkbare verhoudingen in het aantal illegale aanstellingen als we ze per taalgroep opsplitsen. Bij de Nederlandstaligen is 50,6% van de aanstellingen illegaal, bij de Franstaligen niet minder dan 87,9%. Voor beide groepen ligt dat hoger dan voor de gemeenten, maar vooral bij de Franstaligen is het verschil groter. Wat we voor de gemeenten konden vaststellen, is hier nog meer van toepassing: door het absolute overwicht van de Franstaligen in de OCMW’s, is de impact ervan op de dienstverlening voor de Nederlandstaligen hierdoor zeer negatief.

 

Totalen 2014 volgens statuut. Bij de statutairen zijn veruit de meeste benoemingen in de OCMW’s merkwaardig genoeg nog altijd legaal: 163 statutaire aanstellingen (27 N en 136 F) zijn legaal en 21 (1 N en 20 F) of 11,6% is illegaal. Ook voor de OCMW’s zien we dus in 2014 het fenomeen opduiken dat er bij de vast benoemden meer en meer illegale aanstellingen zijn, wat de voorgaande jaren omzeggens niet het geval was.

 

Maar het is vooral op het vlak van de contractuelen dat het hek al jarenlang helemaal van de dam is. Van de 1415 contractuele aanstellingen (49 N en 1366 F) zijn er slechts 59 (11 N en 48 F), of 4,2% in overeenstemming met de taalwet. 95,8% van de contractuelen in de OCMW’s werden in 2014 dus in strijd met de taalwet aangeworven.

 

 

  1. Intrekking van beslissingen

 

Van de 593 door de vicegouverneur geschorste beslissingen werden er zegge en schrijve 0 (nul) door de OCMW’s ingetrokken.[24] Ook de OCMW’s vinden het bijgevolg absoluut geoorloofd zich niets aan te trekken van de taalwetgeving.

 

 

  1. Vernietigingen door de Brusselse collegeleden bevoegd voor de plaatselijke besturen

 

Totalen 2014. De vicegouverneur geeft in zijn jaarverslag te kennen dat hij van geen enkele vernietiging door de twee collegeleden van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) kennis heeft. Ook hier blijft de toezichthoudende overheid dus helemaal in gebreke.

 

Totalen in historisch perspectief. Net zoals bij de gemeenten kan worden vastgesteld dat het vernietigingsbeleid van onwettige aanstellingen door de collegeleden van de GGC nagenoeg onbestaande is.

 

 

Tabel 6. Percentage door de collegeleden van de GGC vernietigde besluiten van OCMW’s die door de vicegouverneur waren geschorst 2008-2014[25]

 

2008                0,1%

2009                0,2%

2010                0%

2011                0%

2012                0%

2013                ?

2014                0%

 

 

  1. De afzonderlijke OCMW’s

 

Tabel 7. Aanstellingen in de afzonderlijke Brusselse OCMW’s in 2014, aantal dossiers en percentage illegale aanstellingen

 

OCMW                                   Aantal dossiers           percent illegaal

 

Anderlecht                             33                               87,9%

Brussel                                               351                             83,2%

Elsene                                     91                               86,8%

Etterbeek                               131                             94,6%

Evere                                      48                               79,2%

Ganshoren                              32                               100,0%

Jette                                       55                               85,5%

Koekelberg                             15                               80,0%

Oudergem                              39                               82,0%

Schaarbeek                            140                             97,9%

Sint-Agatha-Berchem            29                               89,6%

Sint-Gillis                                84                               85,7%

Sint-Jans-Molenbeek              139                             82,0%

Sint-Joost-ten-Node                77                               80,5%

Sint-Lambrechts-Woluwe      36                               88,9%

Sint-Pieters-Woluwe              46                               73,9%

Ukkel                                      132                             76,5%

Vorst                                       86                               100,0%

Watermaal-Bosvoorde          34                               79,4%

 

 

Tabel 8. Procentueel aantal illegale aanstellingen in de afzonderlijke Brusselse OCMW’s in 2012, gegroepeerd volgens aantal OCMW’s per schijf van 10%

 

% illegale                    Aantal

aanstellingen              OCMW’s

 

0-10%                         0

10,1-20%                    0

20,1-30%                    0

30,1-40%                    0

40,1-50%                    0

50,1-60%                    0

60,1-70%                    0

70,1-80%                    6

80,1-90%                    9

90,1-100%                  4

 

In vergelijking met de gemeenten is het beeld voor de OCMW’s zoals te verwachten een stuk negatiever. Alle OCMW’s overtreden op de meest flagrante wijze de taalwet door als regel in essentie eentaligen aan te werven en als uitzondering op de regel tweetaligen. Bij alle OCMW’s is meer dan 7 op de 10 aanwervingen illegaal.

 

 

  • De verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen

 

 

Wetgevende bepalingen: concreet moet er voor de hogere betrekkingen pariteit zijn. Voor de lagere betrekkingen moet minstens 25% van de betrekkingen aan elke taalgroep toekomen.[26]

 

  1. De gemeenten

 

  1. De hogere betrekkingen

 

De vicegouverneur verstrekt hierover een aantal cijfers die, in tegenstelling tot zijn voorgaande jaarverslagen, nu wel recent en dus representatief zijn[27]. Het beeld ziet er als volgt uit:

 

Tabel 9. Verdeling van de hogere betrekkingen in de Brusselse gemeenten

 

Gemeente                              NL abs NL %   F abs    F%

 

Anderlecht                             15        52%     14        48%

Brussel                                               24        45%     29        55%

Elsene                                     5          50%     5          50%

Etterbeek                               1          8%       11        92%

Evere                                      3          37%     5          63%

Ganshoren                              1          17%     5          83%

Jette                                       7          26%     20        74%

Koekelberg                             1          17%     5          83%

Oudergem                              4          57%     3          43%

Schaarbeek                            10        40%     15        60%

Sint-Agatha-Berchem            3          37%     5          63%

Sint-Gillis                                1          8%       12        92%

Sint-Jans-Molenbeek              5          45%     6          55%

Sint-Joost-ten-Node                2          67%     1          33%

Sint-Lambrechts-Woluwe      3          20%     12        80%

Sint-Pieters-Woluwe              3          33%     6          66%

Ukkel                                      8          44%     10        56%

Vorst                                       3          37%     5          63%

Watermaal-Bosvoorde          1          25%     3          75%

 

Totaal                                     100      37%     172      63%

 

Slechts in 1 van de 19 gemeenten wordt de voorgeschreven pariteit gerespecteerd. In 4 andere gemeenten kan worden gesteld dat dit in de praktijk ook het geval is. Het betreft hier gemeenten met een oneven aantal topfuncties, waarbij uit de aard der dingen geen volslagen pariteit kan worden bereikt en het verschil in aantal functies verdeeld over de taalgroepen niet groter dan 1 is. In 3 van deze  gemeenten zijn de Nederlandstaligen in het voordeel; in de  overblijvende gemeente de Franstaligen. Voor de hogere betrekkingen wordt in slechts een kwart van de Brusselse gemeenten de voorgeschreven pariteit dus  nageleefd. Daarnaast zijn er 14 gemeenten waar dat niet het geval is. In deze 14 gemeenten zijn het altijd de Nederlandstaligen die ondervertegenwoordigd zijn. Dikwijls is deze ondervertegenwoordiging zeer uitgesproken, zodat er geen sprake kan zijn van een tijdelijk onevenwicht, maar wel van een bewust beleid om de pariteitsregel niet na te leven. Globaal genomen komen we daardoor uit op een verhouding van 63 F en 37 N. Een duidelijke scheeftrekking. Hierdoor worden 36 topbetrekkingen aan de Nederlandstaligenonthouden (waar zij nochtans bij wet recht op hebben) ten voordele van Franstaligen.

 

  1. De lagere betrekkingen

 

Voor de lagere betrekkingen geeft de vicegouverneur in geen enkel van zijn jaarverslagen cijfers over een verdeling over de taalgroepen. Aangezien de wetgever stelt dat minstens 25% “van de te begeven betrekkingen” aan elke taalgroep moet toekomen, betekent dit in de praktijk, volgens de rechtspraak van de Raad van State, dat sinds de inwerkingtreding van deze bepaling in 1963 er door de gemeenten tellingen hadden moeten worden bijgehouden van de betrekkingen die zij hebben opengesteld en dat hiervan cumulatief de optelling had moeten worden gemaakt om te kunnen bepalen of deze verhoudingen in acht worden genomen. Voor zover we weten werden deze tellingen evenwel niet bijgehouden. Ook naar de actuele stand van zaken met betrekking tot de werkelijke taalverhoudingen in het personeelsbestand van de Brusselse gemeenten is het raden, vermits dit angstvallig geheim wordt gehouden. Op een enkele uitzondering na, worden parlementaire vragen hierover onbeantwoord gelaten. Men kan echter wel een benaderend beeld van de taalverhoudingen krijgen op basis van de dossiers die bij de vicegouverneur jaarlijks worden ingediend.[28] In onderstaande tabellen geven we daarvan een overzicht voor het jaar 2014.

 

Tabel 10. In 2014 bij de vicegouverneur ingekomen dossiers per gemeente, opgedeeld per taalgroep (absoluut en in percent)

 

Gemeente                              NL abs NL%                 F abs    F%                   Totaal

 

Anderlecht                             16        15,5%              87        84,5%              103

Brussel                                               68        24,2%              213      75,8%              281

Elsene                                     6          6,4%                87        93,6%              93

Etterbeek                               6          5,5%                102      94,5%              108

Evere                                      10        29,4%              24        70,8%              34

Ganshoren                              0          0,0%                2          100,0%            2

Jette                                       10        15,1%              56        84,9%              66

Koekelberg                             4          18,2%              18        81,8%              22

Oudergem                              3          11,5%              23        88,5%              26

Schaarbeek                            9          11,2%              71        88,8%              80

Sint-Agatha-Berchem            1          10,0%              5          90,0%              6

Sint-Gillis                                6          5,8%                97        94,2%              103

Sint-Jans-Molenbeek              3          25,0%              9          75,0%              12

Sint-Joost-ten-Node                2          4,0%                48        96,0%              50

Sint-Lambrechts-Woluwe      4          8,3%                44        91,7%              48

Sint-Pieters-Woluwe              4          13,3%              26        86,7%              30

Ukkel                                      10        11,0%              81        89,0%              91

Vorst                                       5          5,5%                85        94,5%              90

Watermaal-Bosvoorde          1          50,0%              1          50,0%              2

 

Totaal                                     168      13,5%              1079    86,5%              1247

 

Tabel 11. Synthese van tabel 10, per schijven van 5%

 

% aandeel NL             aantal gemeenten

 

0%                               1

0,1-5%                        1

5,1-10%                      6

10,1-15%                    4

15,1-20%                    3

20,1-25%                    2

25+ %                          2

 

Uit deze gegevens mag blijken dat er voor de verdeling van de lagere betrekkingen grote scheeftrekkingen plaatsgrijpen. Slechts in 2 van de 19 gemeenten kregen de Nederlandstaligen (iets meer dan) het hen wettelijk voorgeschreven minimumaandeel van 25% van de jobs toegewezen. Voor één van deze twee gemeenten is dit resultaat bovendien niet representatief omdat het in totaal slechts om twee betrekkingen gaat. In de meeste gemeenten wordt dit minimumaandeel evenwel op verre na niet bereikt. Integendeel, in de meeste gemeenten komen de Nederlandstaligen nauwelijks aan bod. Dat blijkt ook uit de totalen. In zijn globaliteit kregen de Nederlandstaligen in 2014 slechts 13,5% van de te begeven lagere betrekkingen in de Brusselse gemeenten, nauwelijks de helft van het absolute minimum dat hen wettelijk gezien moet toekomen. De Nederlandstaligen kregen 168 jobs, maar 144 jobs die hen minstens eveneens moesten toekomen, werden hen niet gegund en aan Franstaligen gegeven.

 

We herinneren eraan dat het hier slechts over de aanwervingen in de 19 Brusselse gemeenten gaat over één enkel jaar en niet om de voltallige personeelsformatie van deze gemeenten. Moest deze laatste in rekening kunnen worden gebracht, dan zal daaruit blijken dat de Nederlandstaligen, tegen de wet in, in de Brusselse gemeenten wellicht duizend of meer betrekkingen worden onthouden. Bij gebrek aan recente gegevens kan dit evenwel niet zwart op wit worden aangetoond.

 

 

  1. De OCMW’s

 

  1. De hogere betrekkingen

 

 

Tabel 12. Verdeling van de hogere betrekkingen in de Brusselse OCMW’s

 

OCMW                                   NL abs NL %   F abs    F%

 

Anderlecht                             2          50%     2          50%

Brussel[29]                                 15        48%     16        52%

Elsene                                     2          22%     7          78%

Etterbeek                               2          50%     2          50%

Evere                                      1          50%     1          50%

Ganshoren                              2          50%     2          50%

Jette                                       3          60%     2          40%

Koekelberg                             0          0%       2          100%

Oudergem                              0          0%       2          100%

Schaarbeek                            4          27%     11        73%

Sint-Agatha-Berchem            2          100%   0          0%

Sint-Gillis                                2          40%     3          60%

Sint-Jans-Molenbeek              4          44%     5          56%

Sint-Joost-ten-Node                1          25%     3          75%

Sint-Lambrechts-Woluwe      4          29%     10        71%

Sint-Pieters-Woluwe              1          25%     3          75%

Ukkel                                      1          17%     5          82%

Vorst                                       3          50%     3          50%

Watermaal-Bosvoorde          1          50%     1          50%

 

Totaal                                     47        37%     80        63%

 

 

De situatie inzake pariteit voor de hogere betrekkingen is gemiddeld genomen dezelfde in de OCMW’s als in de gemeenten. In 6 van de 19 OCMW’s wordt de voorgeschreven pariteit effectief bereikt. Daarnaast zijn er nog 4 andere OCMW’s waar dat bij benadering het geval is. Het betreft hier OCMW’s met een oneven aantal topfuncties, waarbij uit de aard der dingen geen volslagen pariteit kan worden bereikt en het verschil in aantal functies verdeeld over de taalgroepen niet groter dan 1 is. Voor de hogere betrekkingen wordt in ongeveer de helft van de Brusselse OCMW’s de voorgeschreven pariteit dus min of meer nageleefd. Daarnaast zijn er 9 OCMW’s waar dat niet het geval is. In 1 OCMW (Sint-Agatha-Berchem) zijn de Nederlandstaligen oververtegenwoordigd. In de 8 overblijvende OCMW’s zijn de Franstaligen uitgesproken oververtegenwoordigd. In deze laatste gevallen kan er bijgevolg geen sprake meer zijn van een tijdelijk onevenwicht, maar wel van een bewust beleid om de pariteitsregel niet na te leven. Globaal genomen komen we daardoor uit op een verhouding van 80 F en 47 N. Een duidelijke scheeftrekking. Toch worden hierdoor 16,5 topbetrekkingen aan de Nederlandstaligen onthouden ten voordele van Franstaligen.

 

 

  1. De lagere betrekkingen

 

Dezelfde opmerkingen die voor de gemeenten werden gemaakt, gelden ook hier. De cijfers zijn de volgende:

 

Tabel 13. In 2014 bij de vicegouverneur ingekomen dossiers per OCMW, opgedeeld per taalgroep (absoluut en procentueel)

 

OCMW                                   NL abs NL %               F abs    F%                   Totaal

 

Anderlecht                             1          3,0%                32        97,0%              33

Brussel                                               17        4,8%                334      95,2%              351

Elsene                                     6          6,6%                85        93,4%              91

Etterbeek                               0          0,0%                131      100%               131

Evere                                      1          2,1%                47        97,9%              48

Ganshoren                              5          15,6%              27        84,4%              32

Jette                                       5          9,1%                50        90,9%              55

Koekelberg                             1          6,7%                14        93,3%              15

Oudergem                              0          0,0%                39        100,0%            39

Schaarbeek                            5          3,6%                135      96,4%              140

Sint-Agatha-Berchem            4          13,8%              25        86,2%              29

Sint-Gillis                                5          5,9%                79        94,1%              84

Sint-Jans-Molenbeek              12        8,6%                127      91,4%              139

Sint-Joost-ten-Node                4          5,2%                73        94,8%              77

Sint-Lambrechts-Woluwe      1          2,8%                35        97,2%              36

Sint-Pieters-Woluwe              0          0,0%                46        100%               46

Ukkel                                      9          6,8%                123      93,2%              132

Vorst                                       0          0,0%                86        100,0%            99

Watermaal-Bosvoorde          0          0,0%                34        100%               34

 

Totaal                                     77        4,8%                1522    95,2%              1599

 

 

 

Tabel 14. Synthese van tabel 13, per schijven van 5%

 

% aandeel NL             aantal OCMW’s

 

0%                               5

0,1-5%                        5

5,1-10%                      7

10,1-15%                    1

15,1-20%                    1

20,1-25%                    0

25+%                           0

 

Uit deze gegevens kan maar één conclusie worden getrokken en dat is dat de verdeling van de lagere betrekkingen in de OCMW’s dramatisch uitvallen ten nadele van de Nederlandstaligen . In geen enkel OCMW wordt de minimumverhouding van 25% van de betrekkingen gehaald of zelfs maar enigszins benaderd. Voor de rest is het huilen met de pet op. In 5 OCMW’s kregen de Nederlandstaligen zelfs geen enkele betrekking toebedeeld. Globaal genomen kregen de Nederlandstaligen in 2014 nog niet eens 5% van de betrekkingen in de OCMW’s, dat is minstens vijfmaal te weinig dan waar ze wettelijk recht op hebben. De Nederlandstaligen kregen slechts 77 jobs, dat zijn er niet minder dan 323 te weinig van wat hen minimaal volgens de wet had moeten toekomen.

 

 

  1. Besluiten

 

 

Het is algemeen geweten dat sinds de voogdij over de Brusselse gemeenten in deze aangelegenheid is overgegaan naar de Brusselse gewestelijke instanties, de vernietiging van onwettige benoemingen in de Brusselse plaatselijke besturen zo goed als dode letter is geworden. Meer zelfs, de Brusselse gewestelijke voogdijinstanties hebben er alles aan gedaan om de toepassing van de taalwetgeving in Brussel grondig, en met succes, te saboteren. In dit verband kan worden herinnerd aan het afsluiten van het zogenaamde taalhoffelijkheidsakkoord in de schoot van de Brusselse regering, dat in feite niets anders dan een taalwetovertredingsakkoord was, en dat zijn neerslag heeft gekregen in omzendbrieven van 19 november 1997, 18 en 19 juli 2002 en 14 en 29 oktober 2004. Hoewel de Raad van State deze omzendbrieven heeft geschorst en vervolgens vernietigd[30] omdat zij manifest in strijd zijn met de taalwet in bestuurszaken, worden de bepalingen ervan tot op de dag van vandaag nog altijd feitelijk toegepast, zowel door de vicegouverneur in zijn schorsingsbeleid als door de Brusselse gewestelijke voogdijinstanties in hun vernietigingsbeleid. De Raad van State heeft immers duidelijk gesteld dat argumenten als de efficiëntie en de continuïteit van de dienstverlening niet kunnen worden ingeroepen om de taalwet in bestuurszaken naast zich neer te leggen[31]. Voor wat de Brusselse gewestelijke voogdijinstanties betreft, heeft de Raad van State even duidelijk gesteld dat geschorste benoemingen verplicht moeten worden vernietigd door de bevoegde minister of collegeleden. Hiermee leggen de vicegouverneur en de Brusselse gewestelijke voogdijinstanties de nochtans zeer duidelijke arresten van het hoogste rechtscollege van het land dus gewoon naast zich neer.

 

In de Brusselse plaatselijke besturen heerst bijgevolg, mee ten gevolge van het falen van de toezichthoudende instanties, de totale illegaliteit wat de naleving van de taalwetgeving betreft. Het gevolg hiervan is dat de wettelijk voorgeschreven tweetaligheid van de diensten via de tweetaligheid van het personeel vaak onbestaand is en dat de Nederlandstaligen vele honderden banen die hen wettelijk toekomen worden ontstolen door het niet naleven van de bepalingen inzake de verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen.

 

Dit alles blijkt ook voor het jaar 2014 uit het jaarverslag van de vicegouverneur. Wat de voorgeschreven tweetaligheid van de personeelsleden betreft, wordt de taalwet in die mate overtreden, dat er (al lang) geen sprake meer is van tweetaligheid van de dienst via tweetalige personeelsleden. In de gemeenten beschikte in 2014 6 op de 10 nieuw aangeworven personeelsleden niet over het nodige attest over hun kennis van de tweede taal. Voor de OCMW’s loopt dit aantal zelfs op tot 8,5 op de 10 aanwervingen. Het is dan ook niet te verwonderen dat Nederlandstaligen die in contact komen met personeelsleden van de Brusselse plaatselijke besturen heel dikwijls niet of niet op een aanvaardbare manier in hun eigen taal te woord kunnen worden gestaan. Op dit vlak is de taalwet met andere woorden voor een groot stuk dode letter.

 

Hetzelfde geldt voor wat de verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen betreft. Voor de hogere betrekkingen wordt bij wet pariteit voorgeschreven. Deze wordt – ten nadele van de Nederlandstaligen uiteraard – niet gehaald, niet in de gemeenten, noch in de OCMW’s. Toch blijven de scheeftrekkingen op dat vlak nog enigszins binnen de perken. Voor wat de lagere betrekkingen betreft, het gros van de jobs dus, zijn er evenwel enorme scheeftrekkingen. In de gemeenten wordt de Nederlandstaligen bijna de helft van de jobs die hen minimaal toekomen onthouden. In de OCMW’s is de situatie nog veel dramatischer. Daar wordt de Nederlandstaligen niet eens één vijfde toegekend van waar ze minimaal wettelijk recht op hebben.

 

Voor de OCMW’s en de gemeenten samen kan voor 2014 alvast worden vastgesteld dat hen niet minder dan 467 jobs uit de lagere kaders werden ontstolen waar ze wettelijk recht op hebben. Neem daarbij nog 52,5 jobs uit de topkaders en we komen tot niet minder dan  520 jobs die de Nederlandstaligen moeten derven.

 

Daarbij moet er nogmaals op worden gewezen dat het hier slechts gaat om een momentopname inzake de aanwervingen voor het jaar 2014 alléén en niet om de totale personeelsbezetting van de Brusselse gemeenten en OCMW’s die volgens de wet in rekening moet worden gebracht. Er kan evenwel geen twijfel over bestaan dat wanneer de werkelijke personeelsformaties in kaart zouden kunnen worden gebracht, hieruit zou blijken dat de Nederlandstaligen ettelijke duizenden betrekkingen die hen bij wet toekomen in de Brusselse gemeenten en OCMW’s worden ontstolen.

 

De Nederlandstaligen worden met andere woorden permanent en op grootschalige wijze gerold in Brussel. Maar er is geen haan die ernaar kraait…

 

 

 

  1. Politieke maatregelen zijn nodig

 

Het verslag van de vicegouverneur toont dus nog maar eens aan wat al veel langer gekend is: de taalwet wordt in Brussel door de plaatselijke besturen op geen enkele wijze nageleefd. De gevolgen daarvan voor de Nederlandstaligen zijn dramatisch: er is zo goed als geen tweetaligheid van de dienst en er worden duizenden betrekkingen aan de Nederlandstaligen ontstolen.

 

De redenen waarom dit zo is, zijn eveneens gekend en worden andermaal bevestigd in de analyse van het recentste jaarverslag van de vicegouverneur. De voogdij, die bij de Brusselse regeringsinstanties ligt, is onbestaande. De voogdijoverheid vernietigt, tegen de wet en de rechtspraak van de Raad van State in, geen enkele door de vicegouverneur geschorste illegale aanstelling. En zelfs de vicegouverneur laat, eveneens tegen de wet in, een belangrijk deel van de illegale aanstellingen die hij moet schorsen, onbestraft passeren. Ook blijkt hoe zwak de vicegouverneur staat om zijn controleopdrachten tot een goed einde te brengen. Voor wat de controle op de correcte verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen betreft, beschikt de man in veruit de meeste gevallen niet over de meest elementaire informatie om deze opdracht te kunnen uitoefenen. Het ligt dan ook voor de hand, zoals ook uit zijn jaarverslagen blijkt, dat de vicegouverneur geen enkele aanstelling heeft geschorst wegens het niet naleven van de voorgeschreven taalverhoudingen, hoewel dat wettelijk gezien ook tot zijn takenpakket behoort. Dit alles maakt dat de plaatselijke besturen vrij spel hebben om de taalwet naar hartenlust met de voeten te treden, steeds ten nadele van de Nederlandstaligen. Hun Franstalige bestuurders maken daar dan ook gretig gebruik van, want niemand legt hen een strobreed in de weg.

 

Om daaraan paal en perk te stellen, is bijgevolg politiek en wetgevend ingrijpen noodzakelijk.  Het is de eerste en voornaamste taak van de VGC om op te komen voor de rechten van de Nederlandstaligen in Brussel.  Het is dan ook de taak en de plicht van diezelfde VGC om alle mogelijke middelen aan te wenden en druk uit te oefenen op zowel de lokale besturen in Brussel, de Brusselse voogdijoverheid als de federale regering die bevoegd is over de taalwetgeving in Brussel.

 

  • In allereerste instantie moet de voogdij inzake taalaangelegenheden die momenteel bij de Brusselse regeringsinstanties berust (Brusselse hoofdstedelijke regering, college van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie) aan hen worden onttrokken. Zij hebben, ondanks diverse arresten van de Raad van State en ondanks de wettelijke verplichting, al jaren duidelijk gemaakt dat zij hun vernietigingsbevoegdheid voor onwettige benoemingen niet willen gebruikt.
  • De bevoegdheden van de vicegouverneur moeten daarentegen worden uitgebreid. Naast de schorsingsbevoegdheid, moet ook de vernietigingsbevoegdheid worden toegekend aan de vicegouverneur.
  • Het is daarbij belangrijk de functie van vicegouverneur volledig aan de bevoegdheid van de Brusselse instanties te onttrekken. Momenteel staat ook deze immers onder voogdij van de Brusselse instanties, wat onder meer verklaart waarom hij de voorbije jaren een deel illegale aanstellingen niet heeft geschorst. De vicegouverneur moet terug over de hele lijn een federale ambtenaar worden die onder voogdij komt te staan van de federale minister van Binnenlandse Zaken.
  • Om de vicegouverneur te responsabiliseren over zijn toezichtsbeleid is het ook nodig hem jaarlijks te laten rapporteren aan het federale parlement en aan de VGC (nu doet hij dat zonder wettelijke basis aan de Brusselse regering).
  • Voorts moet de taalwet verder worden geëxpliciteerd. Zo moet bijvoorbeeld de controle op de correcte verdeling van de betrekkingen praktisch mogelijk worden gemaakt door bij elk aanstellingsdossier een geactualiseerde tabel te voegen met de werkelijke personeelsbezetting op dat moment.
  • Om te voorkomen dat plaatselijke besturen nalaten hun aanstellingsdossiers ter controle door te sturen naar de vicegouverneur, moet de wetgever hierop de nietigheid van rechtswege van dergelijke aanstellingen invoeren.
  • Ten slotte is ook het feitelijk herstel van de controle van de vicegouverneur over de Brusselse politiezones en de ziekenhuizen van de IRIS-structuur Deze vallen daar momenteel in de praktijk immers volledig buiten hoewel ze nog steeds onderworpen zijn aan de taalwet in bestuurszaken.

[1] Bogaert-Damin, Anne Marie; Luc Maréchal, Bruxelles: développement de l’ensemble urbain 1846-1961, Presses universitaires de Namur, 1978, p. 337. ISBN 9782870370896

[2] Origineel: On ne sait pas le français, personne ne le sait, mais tout le monde affecte de ne pas connaître le flamand. C’est de bon goût. La preuve qu’ils le savent très bien, c’est qu’ils engueulent leurs domestiques en flamand.

[3] de Vriendt, Sera, Brussels, Taal in stad en land, Lannoo Uitgeverij, 2005. ISBN 9020958577

[4] Over het Brussels Nederlandstalig onderwijs, Vlaamse Gemeenschapscommissie.

[5] van Velthoven, Harry, De taalwetgeving en het probleem Brussel, 1830-1914 (pdf), Taal en Sociale Integratie, IV, Vrije Universiteit Brussel (VUB), 1981, p. 248-260

[6] Blampain, Daniel, Le français en Belgique: Une communauté, une langue, De Boeck Université, 1997. ISBN 2801111260.

[7] Velthoven, Harry, Taal- en onderwijspolitiek te Brussel (1878-1914) (pdf), Taal en Sociale Integratie, IV, Vrije Universiteit Brussel (VUB), 1981, p. 261-387

[8] Arrest 118134 van de Raad van State van 8 april 2003

[9] Arrest 143469 van de Raad van State van 21 april 2005

[10] Verslag van de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad voor het jaar 2014, onuitgegeven verslag, 78 p.

[11] Gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik der talen in bestuurszaken (afgekort: SWT).

[12]Art. 21. […]  § 2. Wanneer het voorgeschreven wordt, omvat het toelatingsexamen voor iedere kandidaat een schriftelijk of computergestuurd gedeelte over de elementaire kennis van de tweede taal.

Indien geen toelatingsexamen voorgeschreven wordt, moet de kandidaat, vóór zijn benoeming, aan een schriftelijk of computergestuurd examen over dezelfde kennis onderworpen worden.

  • 3. De §§ 1 en 2 zijn niet toepasselijk op het vak- en werkliedenpersoneel.
  • 4. Wordt afhankelijk gemaakt van het slagen voor een schriftelijk of computergestuurd examen over de voldoende kennis van de tweede taal, iedere benoeming of bevordering tot een ambt, waarvan de titularis, tegenover de overheid waaronder hij ressorteert, verantwoordelijk is voor het behoud van de eenheid in de rechtspraak of in het beheer van de dienst waarvan de hoge leiding hem is toevertrouwd.
  • 5. Onverminderd voorgaande bepalingen kan niemand benoemd of bevorderd worden tot een ambt of betrekking, waarvan de titularis omgang heeft met het publiek, indien hij er niet mondeling van laat blijken door een aanvullend examengedeelte of door een bijzonder examen, dat hij aan de aard van de waar te nemen functie aangepaste voldoende of elementaire kennis bezit van de tweede taal.

[13] Bijvoorbeeld arrest van de Raad van State nr. 28.387 van 2 juli 1987 en advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht nr. 1915 van 19 oktober 1967.

[14] Bijvoorbeeld arrest van de Raad van State nr. 156.436 van 16 maart 2006.

[15] Het gaat hier over dossiers, niet over aangeworven personen. Een persoon kan meerdere dossiers hebben. Maar wellicht zal het aantal dossiers niet wezenlijk afwijken van het aantal personen waarover het gaat. Verslag…, p. 8.

[16] De Raad van State heeft meermaals gesteld dat het inroepen van de continuïteit van de dienst geen reden is om de taalwetgeving naast zich neer te leggen. Bvb. arrest van de Raad van State nr. 118.134 van 8 april 2003, blz. 11.

[17] Verslag…, p. 63.

[18] Verslag van de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad voor het jaar 2011, onuitgegeven verslag, p. 9.

[19] Verslag van de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad voor het jaar 2011, onuitgegeven verslag, p. 82.

[20] Verslag…, p. 19.

[21] Verslag…, p. 21.

[22] Op basis van de verslagen van de vicegouverneur voor de jaren 2008-2014.

[23] Verslag…, p. 64.

[24] Verslag…, p. 20.

[25] Op basis van de jaarverslagen van de vicegouverneur over de jaren 2008-2014.

[26]Art. 21, § 7. Bij de werving van hun personeel dienen de besturen van de gemeenten en die van de openbare personen die aan de gemeenten ondergeschikt zijn, ten minste 50 % van de te begeven betrekkingen in gelijke mate te verdelen over de beide taalgroepen.

Onverminderd de bepalingen van artikel 68, lid 1, moeten, ten laatste tien jaar na 1 september 1963, de betrekkingen die gelijk aan of hoger zijn dan die van afdelingschef, in gelijke mate, bezet worden door ambtenaren van beide taalgroepen.”

[27] Verslag…, p. 74.

[28] Er moet wel aan worden herinnerd dat de cijfers die de vicegouverneur geeft, slaan op dossiers en niet op aantal personeelsleden. Voor eenzelfde personeelslid kunnen in hetzelfde jaar meerdere dossiers bij de vicegouverneur zijn ingediend. Wellicht zijn de afwijkingen tussen beide categorieën evenwel niet erg groot.

[29] Deze gegevens zijn niet meer actueel: zij dateren van 2001 en geven dus de toestand van 15 jaar geleden weer.

[30] Arresten van de Raad van State nrs. 118.134 van 8 april 2003, 143.469 van 21 april 2005, 156.436 van 16 maart 2006 en 161.084 van 7 juli 2006.

[31] Bvb. arrest van de Raad van State nr. 118.134 van 8 april 2003, p. 11.

Brussel verkocht aan de Parti Socialiste

BVDe totale uitverkoop van Brussel aan de PS en de francofonie. Dat lijkt de afgelopen maand de rode draad te zijn geweest in de politieke voorstellen die door de SP.a, Groen en Open VLD werden gelanceerd. Een uitverkoop in vier stappen.

Stap 1. Begin mei laten ministers Sven Gatz (Open VLD) en Pascal Smet (SP.a) in een dubbelinterview weten dat ze er absoluut geen graten in zien om de pariteit in de hoofdstedelijke regering op te offeren. Garanties in de uitvoerende macht voor de Brusselse Vlamingen mogen dus gerust afgeschaft worden, aldus beide excellenties.

Stap 2. In een interview op 6 mei in Le Soir lanceert Laurette Onkelinx (PS) de idee om de Vlaamse Gemeenschapscommissie af te schaffen, en te evolueren naar tweetalige lijsten voor een ‘volwaardig’ hoofdstedelijk parlement. Kortom: naar een systeem van excuus-Vlamingen op de Franstalige lijsten. Een voorstel dat direct door Groen en SP.a volmondig wordt bijgetreden. In datzelfde interview laat Onkelinx ook duidelijk verstaan dat zij in Brussel de plak zwaait, én dat ze er een lobbygroep aanvoert, samen met “des amis flamands comme Guy Vanhengel” (Open VLD) en met medewerking van parlementsleden van onder meer SP.a, Groen, maar ook CD&V.

FDF-Vlamingen

Stap 3. Eind mei was er de idee van opnieuw Gatz om voor de Brusselaars meervoudig stemrecht in te voeren. En zo dus de aanwezigheid van de Brusselse Vlamingen in het hoofdstedelijk parlement terug te schroeven door terug te gaan naar de tijd van de FDF-Vlamingen: Franstaligen die op Nederlandstalige lijsten worden verkozen, en zo dus de Vlaamse minimumvertegenwoordiging omzeilen.

Stap 4. Opnieuw Gatz. Begin juni laat hij weten dat Vlaanderen in Brussel geen eigen zorgnet moet uitbouwen, omdat er al dat van de ‘tweetalige’ GGC is. Dat de taalwetten daar zo goed als onbestaande zijn, deert hem daarbij niet.

Gestolen

De rode draad bij al de voorstellen van PS, SP.a en Open VLD is duidelijk: weg met de Vlaamse lijsten, en op naar een systeem van excuus-Vlamingen Maar ook geen VGC meer en dus geen invloed van het Vlaams Parlement in Brussel meer, en weg met de pariteit in de regering. Kortom: al wat Vlaams is weg uit Brussel.

Het Vlaams Belang kijkt angstvallig naar deze bijzonder nefaste evolutie voor Brussel en de Vlaamse aanwezigheid in Brussel; en daarom interpelleerden Dominiek Lootens en Tom Van Grieken in het Brussels en Vlaams Parlement. Maar voor de andere ‘Vlaamse’ partijen is er echter geen vuiltje aan de lucht. Kortom: Brussel kan hen –letterlijk! –gestolen worden.